Historicus die deelnam aan de geschiedenis

De intellectueel Arthur Schlesinger, die door president Kennedy naar het Witte Huis werd gehaald, is altijd trouw gebleven aan het links-liberalisme.

Arthur Schlesinger die gisteren aan een hartaanval is overleden, behoorde tot een nieuwe generatie vooraanstaande politieke intellectuelen van Amerikaanse topuniversiteiten die door de Democratische president John Kennedy in 1960 naar het Witte Huis werden gehaald. Het was tekenend voor het technocratische optimisme en het geloof in elites dat zoveel van de ‘best and the brightest’ van het land in politieke functies terechtkwamen. De tragische moord op Kennedy in 1963 heeft deze korte periode van fotogenieke glamour mythische proporties verleend.

Door zijn met een Pulitzer prijs bekroonde bestseller A thousand days (1965) over Kennedy is Schlesinger in zijn verdere leven sterk met dit tijdperk geassocieerd geweest. Hij heeft ook de broer van president Kennedy, Robert, geholpen met diens campagne in 1968 die ook door moord eindigde. Tien jaar later, toen het progressieve liberalisme in zijn nadagen verkeerde, publiceerde hij een boek over Robert Kennedy.

Schlesinger wilde zelf deelnemen aan de geschiedenis, waardoor in sommige boeken wetenschappelijke afstand ontbreekt.

Al voor de Kennedy-periode was Schlesinger een nationaal bekende en invloedrijke historicus met een meeslepende schrijfstijl en een uitgesproken links-liberaal politiek stempel. Volgens links-liberalen heeft de overheid een belangrijke rol in de verdediging van burgerrechten en in het scheppen van gelijke kansen voor arm en rijk. Net als zijn eveneens bekende vader was Schlesinger hoogleraar geschiedenis aan de Harvard universiteit. In de Tweede Wereldoorlog had hij gewerkt voor de inlichtingendienst. Later was hij ook nog een tijdje assistent bij de staf voor de Marshallhulp aan Europa.

Schlesingers progressieve sympathieën bepaalden zijn onderwerpkeuze. In 1945, op zijn 28ste al, kreeg hij een Pulitzer prijs voor zijn biografie over de 19de eeuwse progressief-populistische president Andrew Jackson. Eind jaren vijftig publiceerde hij drie delen over Franklin D. Roosevelt en de New Deal.

Schlesinger is zijn progressieve ideologie altijd trouw gebleven, ook toen die bij de verkiezing van president Reagan in 1980 definitief uit de mode raakte. Als schrijver van essays, opiniestukken en boeken werd hij een opponent van de neoconservatieven. Terwijl de Democraten in conservatieve richting opschoven, dwaalde Schlesinger af van het politieke centrum. Soms was zijn kritiek even welluidend als achterhaald.

In 1973, toen de links-liberalen nog sterk stonden, gebruikte hij voor het eerst het begrip de ‘Imperial Presidency’ voor de grote macht over oorlog en vrede die president Nixon zich had toegeëigend. In zijn recente boek over Bush, War and the American Presidency, kwam dit thema terug.

De neoconservatieven grepen intussen terug op president Kennedy die belastingverlagingen doorvoerde en een impuls gaf aan de Koude Oorlog door opvoering van de wapenwedloop met de Sovjet-Unie. Geleerde medewerkers van Kennedy eindigden in het neoconservatieve kamp met een voorkeur voor de vrije markt en een kleine overheid met een machtig militair apparaat. Maar Schlesinger deelde alleen de kritiek van de neoconservatieven op ‘de explosie van etniciteit’ en de vele identiteiten van het multiculturalisme waarover hij een boek schreef. Hij bleef geëngageerd en onafhankelijk.