Een roze wereld zonder lelijkheid

Tentoonstelling: De kroon op het werk. Hollandse schilderkunst 1670-1750. T/m 28 mei in het Dordrechts Museum, Museumstraat 40, Dordrecht. Catalogus (Verlag Locher, Keulen, 368 blz.) € 29,90.

Het jaar na het Rembrandtjaar is voor de schilders na Rembrandt, moeten ze in het Dordrechts Museum hebben gedacht. Onder de titel De kroon op het werk is daar een uitgelezen overzicht van de Nederlandse schilderkunst tussen 1670 en 1750 te zien. Al aan het einde van Rembrandts leven raakte het betrekkelijke realisme van hem en zijn generatiegenoten uit de mode. In de eeuw die volgde, werd er in Nederland geschilderd volgens de regels van de classicistische kunsttheorie.

Uit het leven gegrepen kroeglopers, oude vrouwtjes en vervallen boerderijen werden door schrijvende schilders als Arnold Houbraken en Gerard de Lairesse (zelf nota bene een Rembrandtleerling) niet langer als schilderachtig beschouwd. Zij meenden dat er in de kunst onderhand maar eens aan een betere wereld moest worden gewerkt, een wereld zonder lelijkheid, verdriet en ouderdom. In de kunst van omstreeks 1700 verschijnen dan ook veel beproefde verhalen uit de klassieke mythologie, weelderige bloemstillevens waarin geen blaadje uit de toon valt en portretten van opgedirkte mensen met roze wangen en lichtjes in hun ogen. In deze schilderijen regeren het fatsoen en de goede smaak. Iedereen wandelt er netjes gekamd en elegant gekleed door onberispelijke decors.

Maar hoe gaat dat met eeuwen die elkaar opvolgen: in de negentiende eeuw werd het realisme herondekt, of eigenlijk pas echt goed uitgevonden. Denk aan het buiten schilderen van de Barbizongroep en de Haagse School, denk aan het moderne leven dat de impressionisten vastlegden. Rembrandt werd steeds meer als een realist avant la lettre gezien en de achttiende eeuw steeds meer als een periode van verval.

Weer een dikke eeuw later wordt ook die zienswijze gerelativeerd: de kunst uit een bepaalde periode kan niet alleen maar goed of slecht zijn. In Dordrecht is er alles aan gedaan om de schilders na Rembrandt in ere te herstellen. Vanuit de hele wereld zijn hun beste werken ingevlogen voor een verhelderende tentoonstelling. De gezaghebbende boeken van Houbraken en De Lairesse liggen in een vitrine en aan de wanden is te zien wat zij en hun tijdgenoten maakten. Er is geen ontkomen aan het soft focus roze mensenvlees tussen pruiken en dure stoffen. Aan de druiven, draperieën en fris gewassen schoothondjes.

Maar er waren in dat beklemmende paradijs beslist schilders die hun vak verstonden. Een Elegant gezelschap (1749) van Cornelis Troost huppelt houterig in een saai geschilderde tuin, maar zijn portretminiatuur van de schrijver Jacob Campo Weyerman is een klein schilderij met een grote présence. En dat De wijze en de dwaze maagden (1700) van Godfried Schalcken in hun klassieke schoonheid nog gezichtslozer zijn dan hedendaagse fotomodellen – ach, wat maakt het uit als je ziet hoe mooi hij ze in het licht en tegenlicht van hun olielampjes heeft geschilderd, en hoe hij dat warme lamplicht heeft afgezet tegen het koele schijnsel van de maan. In de portretten die Schalcken in 1679 van zichzelf en zijn vrouw maakte, zijn de versiering aan zijn mouw en de zijden stof van haar gewaad fabelachtig gefijnschilderd.

Een jachtstilleven van Jan Weenix is een proeve van meesterschap in de stofuitdrukking: elke vogel heeft een ander soort verendek en de grote witte pauw in het midden is een wereld van dons waarin je je ogen kunt laten rondklimmen. Maar waarom ligt er nou achter dat stilleven weer zo’n aangeharkt park met symmetrische bomen en hoofse wandelaars met pluimen op hun hoeden? De achttiende-eeuwse kunst was misschien niet zo erg als ze lange tijd leek, maar bij het zien van dat theatrale verschiet in zuidelijk licht verlang je toch echt naar de nuchtere grijze luchten van Weissenbruch en Maris. Hun werk hangt gelukkig breeduit op de eerste verdieping van het museum, waar onder de titel De negentiende eeuw op zijn mooist nóg zo’n voorbeeldig overzicht van een eeuw Hollandse schilderkunst te zien is. Het is de vraag hoeveel er aan de kunst uit de jaren 1670-1750 te rehabiliteren valt: het blijven de nadagen van de Gouden Eeuw. Zeker is dat het Dordrechts Museum, dat na deze tentoonstellingen anderhalf jaar dicht gaat voor een ingrijpende verbouwing, tot de beste musea van ons land behoort.