Een normaal bedrijf

Airbus moet een normaal bedrijf worden, dat zijn activiteiten daar vestigt waar dit het aantrekkelijkst is. Zo luidde volgens de Financial Times gisteren het commentaar van de Franse conservatieve presidentskandidaat Sarkozy op de recente reorganisatieplannen van de vliegtuigbouwer. Airbus, de trots van de Europese industriepolitiek, is in problemen gekomen door zijn omvangrijkste bouwproject tot dusverre: de A380, een dubbeldeks superjumbo met een ongekend grote passagierscapaciteit. Airbus lijkt zich hieraan te hebben vertild. Het gevolg is dat de inherent zwakke bedrijfsstructuur, politiek bepaald door de in Airbus deelnemende landen, bloot kwam te liggen. En daar moet nu noodgedwongen het mes in.

Sarkozy heeft gelijk. Hopelijk herinnert hij zich deze woorden als hij, mocht hij de verkiezingen winnen, president van Frankrijk is. Als het erop aankomt, is het vliegtuigconcern immers Chefsache, zoals de Duitsers het treffend noemen: het territorium van de hoogste politieke bazen. Frankrijk en Duitsland, de twee belangrijkste deelnemers in Airbus, bemoeien zich sinds jaar en dag met de besluitvorming over ‘hun’ onderneming. Dat was al zo toen Airbus in 1970 werd opgericht. En ook nu weer hebben de Franse president Chirac en de Duitse bondskanselier Merkel gesprekken gevoerd.

Zonder de steun van de deelnemende landen had Airbus niet bestaan. Naast Frankrijk en Duitsland is ook Spanje deelnemer. Tal van andere landen zijn toeleverancier, waaronder Nederland dat met producten van Stork prominent in Airbustoestellen aanwezig is. Groot-Brittannië liet vorig jaar weten zijn aandeel te verkopen.

Airbus is in de loop der jaren uitgegroeid tot de belangrijkste concurrent van de Amerikaanse vliegtuigindustrie, met name Boeing. Europa heeft met de vliegtuigbouwer bewezen dat industriepolitiek succesvol kan zijn. Mits deze niet ontaardt in het soort steunverlening waarop de Europese Unie lange tijd patent had: aan kansloze bedrijfstakken, politiek ingefluisterd en concurrentievervalsend.

De kwetsbare aanloopfase van Airbus, waarin betrokkenheid en steun van de deelnemende landen voorwaarde waren, is allang achter de rug. De verknipte structuur, met vestigingen in heel West-Europa omwille van electoraal aantrekkelijke werkgelegenheid, heeft zich tegen het concern gekeerd. De bemoeienis van de verschillende staten is een hinderpaal geworden voor efficiëntie en rentabiliteit. Er was een miljardenproject voor nodig om dit aan te tonen. Tot de A380 konden problemen worden verdoezeld door de orderstroom voor andere toestellen. Nu is het pompen of verzuipen en kan Airbus inderdaad niet anders dan een normaal bedrijf worden. Normaal in de zin van: saneren als het nodig is, fabrieken verplaatsen als de loonkosten stijgen. Kortom, optreden tegen de natuurlijke staatsmoraal van protectie, marktafscherming en nationale rivaliteit en animositeit.

Helemaal normaal zal Airbus nooit worden. Het blijft een kind van Europese regeringen. De aangekondigde herstructurering, waardoor zes fabrieken moeten worden afgestoten en tienduizend arbeidsplaatsen overbodig worden, zal op fel politiek en maatschappelijk verzet stuiten. Maar als het naar de regels van de markt wil overleven, zal Airbus losser van zijn oorspronkelijke broodheren moeten komen te staan.