‘Dit is geen crisis, dit is een felle politieke strijd’

Driekwart van de Hongaren vindt dat hun land „naar de knoppen gaat”. Maar premier Ferenc Gyurcsány noemt het liever geen crisis. Het is allemaal de schuld van de oppositie.

Al maanden speelt zich in het Hongaarse parlement dit tafereel af: zodra de socialistische premier Ferenc Gyurcsány het woord neemt staat de hele fractie van de conservatieve oppositiepartij op en vertrekt – de premier achterlatend, als spreker voor eigen parochie.

Hongarije verkeert in een politieke en sociale crisis die begon met een schandaal rond de premier, die september vorig jaar in opspraak raakte na het uitlekken van een geheime speech. Daarin gaf Gyurcsány toe dat hij langdurig en stelselmatig had gelogen over de economische situatie in zijn land. „We hebben het verkloot, en niet een beetje, maar heel erg, we hebben gelogen, ’s ochtends, ’s middags en ’s nachts”, aldus Gyurcsány in zijn gewraakte toespraak. De woede over zijn leugens en over zijn hervormingsbeleid mondden uit in verlies van de socialisten bij de gemeenteraadsverkiezingen en in maanden van onrust op straat waar het kwam tot een veldslag tussen demonstranten en oproerpolitie. Sindsdien is het parlementsgebouw permanent omheind met een hekwerk en een kordon van agenten.

Om de economie vlot te trekken voert Gyurcsány hervormingen en bezuinigingen door waarvoor hij de steun heeft van de Europese Unie. Maar in eigen land stuiten zijn plannen op grote weerstand. Uit een recent onderzoek blijkt dat driekwart van de Hongaren vindt dat hun land „naar de knoppen gaat”.

„Maar een crisis zou ik het niet willen noemen”, zegt Gyurcsány, tijdens een ontmoeting met buitenlandse journalisten in een hotel in Boedapest. „Ik zie een felle politieke strijd, maar die waait wel weer over.”

Lang leek hij de man die overal mee weg kwam. Als leider van de communistische jeugdbeweging in de jaren tachtig bouwde hij aan zijn netwerken die hem na de omwentelingen in 1989 goed van pas kwamen. Gyurcsány profiteerde volop van de wilde privatiseringen en werd miljonair. In 2004 schoof de socialistische regeringspartij MSzP hem naar voren als de nieuwe premier. Zelfverzekerd en arrogant, zo staat Gyurcsány (45) bekend. Tony Blair is zijn grote voorbeeld. En met groot gemak wint Gyurcsány het in debatten van zijn politieke tegenstrever Viktor Orbán, ex-premier en leider van de conservatieve oppositiepartij Fidesz.

Maar sinds de onlusten van afgelopen herfst is Gyurcsány’s bravoure verbleekt. Tijdens het gesprek met de buitenlandse journalisten is zijn blik schichtig. Bij de deur houden zijn lijfwachten alles nauwlettend in de gaten. Volgens zijn eigen veiligheidsdienst worden ‘diverse politici met de dood bedreigd’ en bereiden extremisten een nieuwe veldslag met de politie voor, op 15 maart aanstaande, tijdens de nationale feestdag waarop Hongarije de onafhankelijkheidsstrijd in 1848 tegen de Habsburgers herdenkt.

Veel Hongaren zien maar één uitweg uit de impasse: zowel u als Orbán moet opstappen. Heeft u dat overwogen?

„Nee. En ik wil op geen enkele manier mijn lot verbinden aan dat van de oppositieleider. Orbán kan slecht omgaan met zijn verlies tijdens de laatste twee parlementsverkiezingen. Fidesz’ antwoord is radicalisering. Daar tegenover staat mijn regering die noodzakelijke hervormingen doorvoert. We hebben nog ruim twee loodzware jaren voor de boeg, maar ik heb mijn hoop en vertrouwen niet verloren.”

Twee weken geleden beschoot een vooralsnog onbekende met een kalasjnikov het hoofdbureau van de politie in Boedapest. U zei: „We kunnen de radicalisering niet langer ontkennen.” Voelt u zich daarvoor politiek verantwoordelijk?

„Zowel links als rechts is schuldig aan de politieke polarisatie. Maar de radicalisering is de schuld van Fidesz. Zij hebben het Hongaarse conservatisme verraden en zijn geradicaliseerd. Bij de rellen in de herfst waren het een paar duizend extremisten die op straat het beeld bepaalden. Maar zij voelen zich ideologisch wel degelijk gesteund door Fidesz. Fidesz voedt de extremisten, maar tegelijk distantieert de partij zich in politieke zin van die groep. Daarmee heeft Fidesz zichzelf in een gevaarlijke grijze zone gemanoeuvreerd.”

U wordt verweten de angst kunstmatig in stand te houden, zodat het hek rond het parlement, dat demonstranten op afstand moet houden, kan blijven staan.

„De bevindingen van de veiligheidsdienst zijn accuraat en legitiem. Er bestaan risico’s. Nu wordt er hard geschreeuwd dat Hongarije is verworden tot een politiestaat. Flauwekul. In Wenen is de regel: iedereen kan en mag het parlementsgebouw benaderen, maar zodra er een demonstratie wordt georganiseerd verschijnt er een hek, op 250 meter van het parlementsgebouw. Dat is een normale procedure, in een EU-lidstaat.”

De democratie in Hongarije staat ter discussie. Terecht?

„Alle mogelijke democratische instituten zijn er, en die zijn sterk. Maar de democratische cultuur in dit land is nog kwetsbaar en zwak. In 2002, toen Orbán de verkiezingen verloor, heeft hij gezegd: ‘Het vaderland mag nooit in handen komen van de tegenstanders.’ Hij heeft daarmee het belang van het land gekoppeld aan maar één partij, zijn partij. Vanaf dat moment is voor hem de politiek een zaak van leven op dood geworden. Die radicalisering schaadt Hongarije.”

Orbán was rond 1989 de charismatische, jonge anticommunist. U leidde toen de communistische jeugd. Heeft Orbán daarmee het morele gelijk niet aan zijn zijde?

„Orbáns waarheid van toen gaat niet meer op. Begin jaren negentig was ik het met 99 procent van wat hij zei volledig eens. Hij had destijds meer gelijk dan ik. Orbán was een gepassioneerde, met de democratie betrokken politicus. Nu helaas niet meer. Toen ging hij tekeer tegen extremistische politici. Nu is hij zelf verantwoordelijk voor de radicalisering.”

Verwacht u nieuwe rellen op 15 maart?

„Fidesz heeft op die dag een grote manifestatie aangekondigd. Het is gevaarlijk, want zij heeft geen controle over de extremisten die in hun kielzog de straat op gaan. Ze riskeren veel. Maar het belet mij niet om door te gaan met waar ik mee bezig ben. Hervormingen. Ik wil niet langer illusies creëren, dat is me te gemakkelijk. Hongaren moeten veel illusies opgeven, en dat doet nu eenmaal pijn.”