Democratie onder blijvend toezicht van de partij

China kent een parlement, maar slechts één partij die de lakens uitdeelt. Daarom zullen de bijna 3.000 afgevaardigden van het Volkscongres volgende week geen baanbrekende besluiten nemen. Maar discussie is er wel.

Gong Xiantian, hoogleraar aan de Universiteit van Peking, is nog steeds een overtuigd marxist. In augustus 2005 schreef hij een open brief aan het Nationale Volkscongres, het door de communistische partij gedomineerde parlement van China. Hij protesteerde tegen invoering van een wet op privé-eigendom. Die legitimeert de zelfverrijking van China’s nieuwe kapitalisten, vindt hij.

Zo’n wet druist in tegen de grondwettelijke plicht van de staat de zwakken te beschermen.

De 62-jarige Gong werd plotseling beroemd. Hij werd naar het Volkscongres genood. Na zijn uitleg besloten de afgevaardigden het door de partijleiding voorgestelde wetsontwerp terug te sturen. Pas volgende week, als het voltallige Volkscongres in de Grote Hal van het Volk in Peking bijeenkomt voor zijn jaarlijkse zitting, staat het weer op de agenda.

De ‘conservatief’ Gong voert een achterhoedegevecht. Al onder de tien jaar geleden overleden Deng Xiaoping sloeg China de weg in van de markteconomie. De wet die particulier eigendom vastlegt komt er vast. Maar het succes van Gongs interventie laat wel iets anders zien: de tijd dat de bijna 3.000 afgevaardigden dociel de achter gesloten deuren bekokstoofde voorstellen van de partijleiding goedkeurde, is voorbij. De laatste jaren is meer ruimte gekomen voor discussie.

Dat is ook de ervaring van Gustaaf Geeraerts, hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel en directeur van het Brussels Institute of Contempory China Studies – een samenwerkingsverband met de Renmin Universiteit in Peking. „Toen ik tien jaar geleden voor het eerst in China kwam, was iedereen zeer voorzichtig. Tegenwoordig discussieert men over allerlei onderwerpen. De moderne Chinese wetenschapper spreekt Engels en komt regelmatig in het buitenland. Het academische milieu is aanzienlijk opener geworden”, zegt hij.

Maar geen misverstand, benadrukt Geeraerts (57) ook: er is een rode lijn die niet wordt overschreden. Kritiek op het gezag van de communistische partij zelf is en blijft taboe.

Het Chinese leiderschap zelf spreekt over ‘socialistische democratie’ of over ‘democratie met Chinese karakteristieken’. Hetzelfde wordt bedoeld: meer ruimte voor overleg en inspraak, maar onder blijvende regie van de communistische partij. Dat is cruciaal in „de eerste fase van het socialisme waarin China nog steeds verkeert”, zoals premier Wen Jiabao deze week schreef in het Volksdagblad. En, zei hij erbij, die ‘eerste fase’ zal nog heel lang duren, misschien wel honderd jaar.

Geeraerts vindt zo’n uitspraak niet verrassend. Met onderzoeker Jonathan Holslag publiceerde hij onlangs het boek Macht of mythe – Achter de schermen van het Chinese groeimirakel. Strekking: ondanks de McDonald’s en Starbucks in Peking en Shanghai wordt China niet westers, en gedraagt het zich ook niet naar westerse normen. China, schrijven ze bijvoorbeeld, is „een guerrillastrijder in maatpak”. Niet door het Westen gepropagandeerde vrijhandel maar mercantilistische staatssturing ligt ten grondslag aan zijn economische succes – waarvan de duurzaamheid overigens nog maar moet blijken.

Ook als het gaat om democratie heeft China zich „definitief afgekeerd van westerse verwachtingen”, stellen Geeraerts en Holslag. Althans: als zou worden gerekend op de totstandkoming van een meerpartijenstelsel.

Dat is in China niet aan de orde, zegt Geeraerts. Zo’n avontuur wil eigenlijk niemand aangaan, heeft hij geleerd uit gesprekken met collega’s. „Dat heeft te maken met diepgewortelde angst voor chaos in China”, zegt hij. Los daarvan: de partij heeft de afgelopen jaren gezorgd voor enorme ontwikkeling. „In de ogen van de meeste mensen kan de partij het land het beste besturen.”

Maar de discussie over de eigendomswet bewijst dat de partij niet langer opereert als monoliet. De besluitvorming is niet democratischer maar „pluriformer” geworden, zegt Geeraerts. Meningen worden gepeild, ideeën uitgewisseld. Dat is een kwestie van lijfsbehoud. „De partijleiders zullen niet vrijwillig opstappen. Maar om in het zadel te kunnen blijven, moet men wel weten wat er onder de bevolking leeft.”

Hoog op de agenda van het Volkscongres staat dan ook het probleem van de enorme welvaartskloof in China: tussen stad en platteland, tussen de rijke en arme provincies. Om sociale onrust te bezweren, moet de groei worden omgebogen. Het lot van de partij hangt er mee samen. „De regering hanteert de slogan: ‘harmonieuze samenleving’. Dat duidt er op dat het nu allesbehalve harmonieus is”, zegt Geeraerts.

„De uitdaging is de welvaart eerlijker te verdelen, de grote massa vertrouwen te geven in de toekomst én de groei op peil te houden. Als de partij daarin slaagt, zal ze haar legitimiteit behouden” , aldus Geeraerts. „Let wel: ik zeg niet dát zij daarin slaagt.”

Die grote verantwoordelijkheid ligt in handen van president Hu Jintao, die in 2002 aantrad als partijleider. Hu en zijn bondgenoot, premier Wen, hebben achter de schermen afgerekend met medestanders van oud-partijleider Jiang Zemin – architecten achter de ongebreidelde groei. Dit najaar wordt in Peking het Zeventiende Partijcongres gehouden. Dat is het forum waarop Hu en Wen hun machtsposities definitief kunnen veiligstellen om voluit te gaan werken aan hun ‘Keynesiaanse’ correctie van het Chinese groeimirakel.

Op het partijcongres zal ook duidelijk worden wie zich in de coulissen gaan warmlopen. Hu en Wen behoren tot de vierde generatie van communistische leiders – de generatie van technocraten Beiden zijn ingenieur. Ook in de toekomstige vijfde generatie zullen nog leiders zitten met een technische achtergrond, denkt Geeraerts. „Maar ook zullen economen, juristen en leiders met andere achtergronden naar boven komen drijven.”

Ook zo neemt China steeds meer de schijngestalte aan van een ‘westers’ land. Een land waar wordt gediscussieerd – maar niet tussen politieke partijen.