De zonden der vaderen

Een van de boeken die de laatste jaren de meeste indruk op mij hebben gemaakt, is Der Vorleser van Bernhard Schlink (in 1996 in Nederland als De voorlezer verschenen). Het gaat over een jongen die een verhouding krijgt met een oudere, moederlijke vrouw, die, naar later zal blijken, bewaakster in een concentratiekamp is geweest en deswege alsnog berecht wordt.

Tien jaar later verscheen van zijn hand Der Heimkehr, dat over een soortgelijk probleem gaat: een jongen weet niet beter of zijn vader is in de oorlog gesneuveld, totdat hij ontdekt dat hij nog leeft als professor in Amerika. Hij ontdekt ook dat zijn vader nazimisdadiger is geweest. De zoon zoekt hem op, bewondert en vreest, ja haat hem tegelijkertijd. (Ik heb dit boek niet gelezen; in de Frankfurter Allgemeine verscheen een nogal vernietigende bespreking.)

Het Franse dagblad Le Monde heeft Schlink ook ontdekt en heeft, in zijn boekenbijlage van 22 februari, behalve een bespreking van dit boek, ook een vraaggesprek met hem. Schlink, die geboren is in 1944, als zoon van een tot de belijdeniskerk behorende theoloog, is kennelijk gefascineerd door het verschijnsel van een generatie (de zijne) die gevangen zit tussen liefde en schuldgevoel.

Het is een generatie die zelf geen schuld heeft aan de misdaden die haar vaders hebben begaan, maar zich er toch niet van kan vrijmaken – te minder wanneer die vaders ook nog eens sympathieke mannen blijken te zijn (geweest). „Als goed en kwaad duidelijk van elkaar te onderscheiden zouden zijn, als alle nazi’s monsters zouden zijn geweest, zou er geen probleem zijn”, zegt Schlink. Maar dat is niet zo, en daarom is er een probleem, en dat fascineert hem.

Zo vertelt hij dat hij in zijn studententijd, om bij te verdienen, ‘s nachts in een fabriek werkte. De arbeiders met wie hij werkte, vond hij oprecht sympathiek, maar in het pauze-uur kwamen de verhalen los: over wat zij in de oorlog hadden meegemaakt, ja waaraan zijzelf hadden meegedaan. Kortom, sympathieke oorlogsmisdadigers. Schlink, die zelf hoogleraar staatsrecht is, komt tot de conclusie: „Ik geloof in de gedachte van collectieve schuld.”

Toevallig was er dezelfde week op de Frans-Duitse zender Arte een documentaire te zien die een soortgelijk dilemma behandelde. Zij ging over een in 1905 geboren Duitser, een zekere Hanns Ludin, die in 1947 door een Tsjechoslowaakse rechtbank als oorlogsmisdadiger ter dood veroordeeld was en vervolgens terechtgesteld. De documentairemaker was zijn zoon.

Ludin was geen grote vis in de nazivijver. Hij kwam uit een welgesteld burgerlijk gezin. De vader was een schwärmischer Schöngeist (woorden die niet te vertalen zijn). Van dit idealisme had de jongen een tik meegekregen, zoals vele jongeren die, na een verloren oorlog, zich door Hitler lieten meeslepen. (De socialist Jacques de Kadt schreef al in 1938 dat er ook een „eerlijk en idealistisich fascisme” bestond, althans bestaan had.)

Zo ook Ludin, die nog in de Weimarrepubliek het tot legerofficier bracht, maar werd ontslagen toen bleek dat hij, tegen het verbod in, contact met Hitler had gezocht. Hij maakte toen carrière in Hitlers leger, de SA. Volgens de film- en geluidsbandopnames een niet bijzonder sympathieke man, eerder een schreeuwlelijk.

Maar hij moet toch charmes hebben gehad. Hij trouwde althans met een – ook volgens foto- en filmbeelden – lieve, verstandige vrouw, die hem zes kinderen schonk. Zij allen herinneren zich hem als een toegewijde, vrolijke man en vader. Tenslotte beloonde de partij zijn verdiensten: hij werd gezant in de satellietstaat Slowakije, die in 1939, na het uiteenvallen van Tsjechoslowakije, was ontstaan.

Wat hij daar precies uitgespookt heeft, blijft onduidelijk. Zijn zoon zegt dat zijn vader volkomen ongeschikt was als diplomaat; hij had alleen maar geleerd bevelen in ontvangst te nemen en door te geven. Dat heeft hem waarschijnlijk de das omgedaan: veel van de instructies die hij uit Berlijn kreeg, hadden ten doel de Slowaken aan te sporen tot haast maken met de deportatie van joden.

Zijn weduwe vertelt dat zij nog nooit van Auschwitz had gehoord, totdat de vrouw van de Zwitserse (neutrale) gezant haar eens vertelde dat het een vernietigingskamp was. Hoogst ontdaan vroeg zij haar man naar de waarheid. Het antwoord luidde dat het een kamp was waar joden voor de wapenindustrie werkten. (Dat antwoord stelde haar blijkbaar gerust.)

Of haar man wél de waarheid wist, komt niet uit de doeken. Of het vonnis van de rechtbank – Tsjechoslowakije was in 1947 nog niet communistisch – gegrond was, blijft dus ook duister. Maar daar gaat het niet om. Het gaat om de manier waarop de weduwe en haar zes kinderen dit doodvonnis hebben verwerkt. Daarover ondervraagt de zoon zijn moeder, zusters en hun kinderen vijftig jaar later.

Ook zij weten niet of hun man en vader werkelijk een misdadiger was – hijzelf ontkent het in zijn afscheidsbrief –, maar zijn medeplichtigheid aan een misdadig regime ontkennen zij niet, en dat weegt zwaar op hen – te meer omdat zij zich hem herinneren als een liefhebbende vader. Een kleinzoon zegt dat dit verleden zijn moeder onzeker heeft gemaakt en dat hij die onzekerheid van haar geërfd heeft. Zo worden de zonden der vaderen aan de kinderen en kleinkinderen bezocht – tot in het hoeveelste geslacht?

Dat het verschijnsel niet tot Duitsland beperkt is, blijkt uit een andere bespreking in dezelfde boekenbijlage van Le Monde, nu van een Fransman die ontdekt dat zijn vader lid is geweest van de Franse SS – dus nog een landverrader bovendien (Michel Séonnet: La marque du père).

Zelf heb ik in mijn studententijd zes leeftijdgenoten gekend die, veelal tot mijn verrassing, later SS’er zouden worden. De een was een gezellige dikke bierdrinker; de tweede een elegante jongen, voor wie alle meisjes vielen; drie en vier waren beiden theoloog, eerder zachtzinnig; nummer vijf, zeer intelligent, had iets gluiperigs. De laatste was de enige die enigszins beantwoordde aan de sjablone, niet als monster, maar als fanaticus in alles wat hij deed.