Bij openbaar ambt hoort één paspoort

In Israël mogen bewindslieden geen dubbele nationaliteit hebben. Wie zijn andere nationaliteit niet kan opgeven, is hiervan uitgezonderd. Ook Nederland zou dit moeten doen, schrijft Priscilla Andoetoe.

De Partij voor de Vrijheid (PVV) zou vandaag met een motie van wantrouwen komen tegen staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak wegens hun dubbele nationaliteit. Een soortgelijke motie leidde twee weken geleden tot grote verontwaardiging.

De PVV heeft dat aan zichzelf te wijten. Door consequent ‘nationaliteit’ en ‘religieuze overtuiging’ door elkaar te halen heeft de PVV de discussie vertroebeld.

Opvallend is dat grotendeels buiten beschouwing is gebleven hoe andere landen omgaan met een dubbele nationaliteit van personen in openbare functies.

In Israël, een immigratieland bij uitstek, is de discussie over de wenselijkheid van een dubbele nationaliteit voor personen in een publieke functie in de jaren vijftig ook gevoerd. Er is toen bij wet vastgelegd dat leden van het parlement en leden van de regering bij toetreding tot het openbare ambt slechts één nationaliteit mogen hebben: de Israëlische.

Een uitzondering wordt gemaakt voor diegenen die hun andere nationaliteit niet kunnen opgeven, omdat het betreffende land hun dat niet toestaat. Israëlische staatsburgers van Marokkaanse afkomst, zoals de minister van Defensie Amir Peretz, kunnen op die manier toch toetreden tot het landsbestuur.

Deze pragmatische oplossing doet enerzijds recht aan de verwachtingen omtrent loyaliteit die men aan een vertegenwoordiger van die staat stelt, en laat anderzijds geen staatsburgers in de kou staan die simpelweg niet de mogelijkheid hebben hun andere nationaliteit op te geven.

Dat Israël voor deze regeling heeft gekozen, is begrijpelijk. Het verkrijgen van de Israëlische nationaliteit is veel gemakkelijker dan het verkrijgen van de Nederlandse. In Israël hoeft men niet een langdurig integratieproces te doorlopen. Met een beroep op de ‘Wet op Terugkeer’ kunnen elke jood, zijn niet-joodse partner en (klein)kinderen zich in Israël vestigen en de Israëlische nationaliteit krijgen. Binding met de samenleving noch integratie in de samenleving is een vereiste. Overigens kunnen ook niet-joden na een vijf jaar verblijf Israëliër worden. Veel mensen maken gebruik van de relatief soepele Israëlische wet, maar houden tegelijkertijd hun andere paspoort aan.

Daar is ook niets op tegen, tot het moment dat iemand tot het hoogste publieke ambt toetreedt. Dan moet je ook onvoorwaardelijk kiezen voor het land dat je bestuurt en dan moet je je andere nationaliteit opgeven.

De Israëlische wet zou als voorbeeld voor Nederland kunnen dienen. Met één uitzondering: leden van organen die de samenleving behoren te vertegenwoordigen en te weerspiegelen, zoals de Eerste en Tweede Kamer, moeten wel een dubbele nationaliteit kunnen hebben. Anders dan leden van de regering vertegenwoordigen zij namelijk niet de Nederlandse staat, maar hun kiezers.

Maar het is onwenselijk dat een bewindspersoon die alle Nederlanders, de staat en zijn organen vertegenwoordigt, nu alsnog de mogelijkheid heeft om actief of passief het kiesrecht uit te oefenen in een ander land.

Een heikel punt in de discussie is overigens de automatische koppeling die gemaakt wordt tussen het hebben van een bepaalde nationaliteit en een daaruit volgende loyaliteit. De geschiedenis leert dat het staatsburgerschap van een land geen garantie biedt voor loyaliteit aan dat land. Te denken valt hierbij aan NSB-Kamerleden die tijdens de Tweede Wereldoorlog, met hun Nederlandse paspoort in de hand, de Duitse bezetting actief ondersteunden. Of de Nederlandse communisten in de jaren vijftig die trouwer aan Moskou waren dan aan Den Haag. In die zin zou de huidige discussie, waarbij die koppeling wél gemaakt wordt, als symboolpolitiek kunnen worden bestempeld. Loyaliteit is niet gebonden aan de opdruk van een paspoort, maar zit in het hart.

Symbolen zijn echter ook van grote waarde voor een samenleving. Wie Nederland wil vertegenwoordigen, moet dan ook ondubbelzinnig uiting geven aan zijn keuze voor dit land. Bewindspersonen zouden dan ook slechts de Nederlandse nationaliteit mogen hebben, tenzij het andere land hun dat niet toestaat.

Dit moet wettelijk worden vastgelegd. De huidige lacune in de wet die niets regelt over de nationaliteit van bewindslieden, moet worden opgevuld.

Priscilla Andoetoe is verbonden aan het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI) te Den Haag.