Keen streeft naar meer sporters op het pluche

Tafeltennisser Trinko Keen (35) is ook bestuurslid van NOC*NSF. Hij wil dat meer topsporters bestuurder worden. „Het is simpel: als je invloed wilt hebben, moet je participeren.”

Arnhem, 28 febr. - Hij zal altijd gefascineerd blijven door het pingpongballetje, maar tegenwoordig is de obsessie voor tafeltenis verdwenen en kijkt hij verder dan zijn eigen sport. Trinko Keen speelt nu op verschillende tafels tegelijk, want naast topsporter is hij voorzitter van de atletencommissie en daarmee ook bestuurslid van sportkoepel NOC*NSF. Er zouden meer (oud-)topsporters voor het pluche moeten kiezen, vindt Keen, die zich heeft voorgenomen de klassieke tegenstelling tussen sporter en sportbestuurder te verkleinen. „Meepraten en meebeslissen zijn allang geen vieze woorden meer.”

In zijn bovenwoning in een buitenwijk van Arnhem schetst Keen met zijn vinger op de tafel snel wat denkbeeldige schemaatjes. Zijn boodschap is helder: sporters en bestuurders moeten meer wederzijds begrip tonen. In zijn opvatting wordt de afstand kleiner als sporters bestuurslid van een bond worden. Maar de animo is gering. Tot teleurstelling van Keen, die uit naam van de atletencommissie een offensief leidt om de geesten van sportmensen rijp te maken voor bestuursfuncties.

Keen weet ook wel dat niet alle problemen voor sporters zijn opgelost zodra in elk bondsbestuur ten minste één (ex-)sporter zit. „Maar de realiteit is dat op dat niveau de besluiten worden genomen. Voor een goed evenwicht is kennis en gevoel voor de topsport nodig. De topsporter heeft kennis van zaken en zorgt daarmee voor een meerwaarde in het bestuur.”

Maar welke strategie moet worden gevolgd om sporters te interesseren voor de abstracte wereld van beleid? Om die vraag te beantwoorden heeft de atletencommissie Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling aan de Universiteit Utrecht, in de arm genomen.

Keen weet uit ervaring hoe hulpeloos en onbegrepen een ambitieuze sporter zich kan voelen. Daarvan is vooral sprake bij kleine bonden, want de grote bonden werken doorgaans professioneel. Als jonge tafeltennisser botste hij ooit frontaal met de bond. „Ik wilde afspraken maken over vergoedingen, trainingsomstandigheden en sponsormogelijkheden, omdat ik prof was geworden. De toenmalige bestuursleden wilden daarover niet onderhandelen. Vervolgens werd ik neergezet als een koude sporter, die aan zichzelf dacht.”

Keen hoeft minder op zijn techniek te trainen en heeft daardoor ook tijd heeft voor bestuurlijke werkzaamheden. Maar de afgestudeerde heao’er (commerciële economie) is ook bestuurslid uit overtuiging. „Omdat ik verbanden wil leggen tussen bestuurders en sporters; ik zou graag afwillen van die eilandjes. Ik geloof sterk in samenhang.”

Schuilt in zijn dubbelfunctie niet het gevaar dat sportkoepel NOC*NSF de sporter inpalmt? Keen denkt van niet. „Ik kan in het bestuur vrijuit spreken en ik word serieus genomen. Als atletencommissie hebben we bewust voor de kwaliteitszetel gekozen. We willen aan de ‘voorkant’ werken, niet aan de ‘achterkant’. In mijn ogen is het simpel: als je invloed wilt hebben, moet je participeren.”

Er schuilt wel een gevaar in de bestuurlijke functie van een topsporter. Neem oud-polsstokhoogspringer Sergei Bubka, die namens de atletencommissie en lid van het uitvoerende comité van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) instemde met het verplaatsen van de zwemfinales naar de ochtend op de komende Olympische Spelen in Peking (2008).

Nadat de Nederlandse atletencommissie om een toelichting had gevraagd, op verzoek van de boze zwemmer Pieter van den Hoogenband, antwoordde Bubka dat zij tot de slotsom waren gekomen, dat sporters in staat zijn zowel’s morgens als ’s avonds te wedijveren. Het besluit, erkende Bubka, was mede ingegeven door de wens alle partijen tevreden te stellen.

Voor Keen een voorbeeld van slecht participeren. „De atletencommissie had er een principieel punt van moeten maken en de vraag moeten opwerpen: waar ligt de grens van commerciële belangen? Als het punt fundamenteel zou zijn besproken, was de kwestie aan het individuele belang onttrokken. Nu is het probleem alleen op zwemniveau behandeld.”

De zwemtijdenkwestie ziet Keen als een bevestiging van zijn opvatting dat een atletencommissie in een vroeg stadium bij een zaak betrokken moet worden. „Dan kun je strategische keuzes maken. In andere gevallen ben je meestal te laat.”

Alles over Trinko Keen op www.trinkokeen.nl