Kabinet moet kennis beter benutten

Het nieuwe kabinet pleit terecht voor samenwerking tussen kennisinstituten en organisaties (bedrijven, overheid) die de vindingen moeten toepassen. De praktijk is echter weerbarstig, meent Guido Enthoven.

‘Samen moeten we onderwijs, kennis en innovatie een grote stap verder brengen’, aldus het nieuwe regeerakkoord. Nederland scoort goed in de internationale wetenschappelijke tijdschriften en citaties, maar de economische of maatschappelijke toepassing laat te wensen over. Om de ontwikkelde kennis beter te kunnen benutten, moeten universiteiten, bedrijven en overheden beter gaan samenwerken – die conclusie komt ook terug in een aantal recente adviezen aan het kabinet.

Er gebeurt al het een en ander. Zo wordt hard gewerkt aan de totstandkoming van topinstituten. Neem het Delta-instituut, waarbij Rijkswaterstaat en TNO hun inzichten over waterbeheer en bouwen in deltagebieden bundelen. Een ander voorbeeld zijn de fondsen voor economische structuurversterking op gebieden als nanotechnologie, ICT, meervoudig ruimtegebruik of duurzame landbouw. Het is de bedoeling in deze programma’s dat overheden, marktpartijen en kennisinstellingen intensief samenwerken rond nieuwe kennisvragen.

Interessant is ook het fenomeen Kenniskamers, een recent voornemen om periodiek bijeenkomsten te organiseren tussen de ambtelijke top van een departement en wetenschappelijke kopstukken. In deze kenniskamers kunnen strategische onderzoeksvragen voor de komende periode worden geformuleerd. Maar de praktijk is weerbarstig. Sommige mechanismen leiden eerder tot isolatie of concurrentie dan dat ze samenwerking bevorderen.

In het openbaar bestuur worden ambtenaren vooral afgerekend op de mate waarin ze hun minister kunnen laten scoren. ‘Netwerkarrangementen’ waarin ook andere partijen opereren, zijn per definitie minder beheersbaar en worden daarom met extra argwaan beschouwd – te meer omdat over gedurfde experimenten die mislukken al snel Kamervragen worden gesteld.

Wetenschapsinstellingen hebben belang bij het cofinancieren van door henzelf bedachte programma’s; daarbij worden maatschappelijke relevantie of bedrijfsmatige toepassing van resultaten niet meegewogen.

Bedrijven hebben een kortetermijnhorizon en opereren in een competitieve omgeving; hun primaire aandacht is concurrentie en niet samenwerking.

Veel innovatiepotentieel zit bij kleine bedrijven en bij ‘randgroepen’: kunstenaars, vormgevers, gameontwikkelaars, maatschappelijke initiatieven en reclamebureaus. Voor deze groepen tellen samenwerkings- of transactiekosten extra zwaar. Bij samenwerkingsprojecten ontstaat regelmatig frictie over de vraag wie de resultaten mag claimen en in de publiciteit kan scoren.

Iedere partij heeft dus eigen belangen, eigen ‘rationaliteiten’ en een eigen achterban. Regelmatig leggen daadkracht en sense of urgency van enkele partijen het af tegen de traagheid of hindermacht van andere.

Verschillende gezaghebbende instituten zien samenwerking als panacee voor veel knelpunten op het terrein van innovatie. Maar de dagelijkse afrekeningsmechanismen in de verschillende domeinen (overheid, wetenschap, markt) werken in de praktijk vaak tegengesteld. Samenwerking rondom innovatietrajecten in het publieke domein blijkt veel lastiger te realiseren dan recente, relatief blijmoedige adviezen doen vermoeden.

Wellicht kan de Forumtheorie van de vorig jaar overleden A.D. de Groot hulp bieden. De Groot, buiten de universiteiten vooral bekend geworden als grondlegger van de Citotoets, was één van de meest gezaghebbende methodologen in Nederland. Decennialang, al sinds de jaren zeventig, heeft hij gepleit voor een ‘forumwaarmerk van wetenschap’, een methode om een dialoog tussen wetenschappers te organiseren over welke inzichten als ‘waar’ kunnen worden beschouwd.

Wat bedoelde hij daarmee? Neem een discipline als economie. Die bestaat uit tientallen verschillende subdisciplines, met ieder hun eigen ‘scholen’, congressen en toptijdschriften, waarvan de beoefenaars elkaars artikelen nauwelijks lezen.

Binnen een discipline als de bestuurskunde bestaat nauwelijks overeenstemming over de vraag wat nu effectieve bestuurlijke maatregelen zijn. Wat is de top tien van beste interventies van de laatste kabinetten?

De Groot wilde deze onderzoekers bij elkaar brengen via een ‘forumproces’, waarin topdeskundigen zich uitspreken over waarheidsclaims. Zo ontstaat een beeld van wat binnen een kennisgemeenschap naar de bestaande inzichten als waar wordt beschouwd. Hij verwijst daarbij naar de Nederlandse filosoof J.P. Guépin, die heeft gezegd: „Er is geen waarheid buiten consensus om.” Potentiële kennisclaims zijn bijvoorbeeld: ‘De menselijke invloed op klimaat is nu meetbaar’, of ‘Taakstraffen leiden tot minder recidive’. Het expliciet legitimeren of afwijzen van belangrijke kennisclaims is goed voor de voortgang van de wetenschap.

De Groot had weinig waardering voor politici en hij beschouwde de vermenging van politieke doelen met wetenschappelijk onderzoek als een groot kwaad. Het heeft een zekere ironie dat er voor een forumproces juist daar ruimte lijkt te ontstaan.

Tussen het domein van het ‘kennen’ (wetenschap), het domein van het ‘willen’ (politiek) en het domein van het ‘kunnen’ (bedrijfsleven) moet een intensief discours komen, waarbij betrokkenen ervaringen uitwisselen, kennis delen en nieuwe onderzoeksvragen formuleren. Een georganiseerde, scherpe en gestructureerde interactie tussen deze verschillende partijen over thema’s als waterveiligheid, vroegtijdig schoolverlaten of systeeminnovatie in de bouw, kan leiden tot nieuwe inzichten. Het kan wetenschappers voeden met ‘lekenexpertise’ en zicht bieden op wat de betrokken topdeskundigen gemeenschappelijk als ‘waar’ beschouwen.

In het huidige debat over het beter benutten van kennis (‘kennisvalorisatie’) verdient het forumproces nieuwe aandacht. Het komende kabinet dient waar mogelijk isolationistische mechanismen te doorbreken en nieuwe verbindingen te organiseren. Het kan een bedrag van zeg 20 miljoen ter beschikking stellen ten behoeve van een honderdtal consortia met als enige opdracht om een attractief én haalbaar plan te ontwikkelen, een magnetiserend toekomstbeeld dat tot een doorbraak kan leiden in de kenniseconomie.

Het gaat daarbij slechts in beperkte mate om middelen; belangrijker zijn structuur en tijd, tijd van ambtenaren, wetenschappers, ondernemers, burgers én politici.

In het Lissabon-akkoord van de Europese Unie is afgesproken om een percentage van 2 procent van het bruto nationaal product te investeren in Research & Development. Het zou interessant zijn indien de nieuwe bewindslieden zelf het goede voorbeeld zouden geven. Voor hen zou het betekenen dat ze vijf volle dagen per jaar in gesprek zouden gaan met wetenschappers én lekenexperts over wat ze als ministers nu écht willen weten, welke kennis al beschikbaar is, welke praktijken bewezen effectief zijn en wat de meest veelbelovende ontwikkelingen zijn. Een intensief proces van voortschrijdend inzicht, startend bij het begin van ieder seizoen, culminerend in een tweedaagse in december.

Het klinkt buitengewoon overzichtelijk, maar tot dusver is het er niet van gekomen. Voor de ontwikkeling en benutting van kennis zou het een grote stap voorwaarts zijn.

Guido Enthoven is directeur van het Instituut voor Maatschappelijke Innovatie.

Rectificatie / Gerectificeerd

Het artikel Kabinet moet kennis beter benutten (28 februari, pagina 6) stelt dat de EU in het Lissabon-akkoord heeft vastgelegd 2 procent van het bruto nationaal product in research & development te steken. De afspraak is 3 procent in R&D te steken, waarvan 2 procentpunt door bedrijven en 1 procentpunt door de overheid.