Gekrijs van de haviken klinkt eentonig

De voorstanders van preventief ingrijpen in Iran zijn dezelfden als de pleitbezorgers van een oorlog in Irak. En ze gebruiken weer dezelfde argumenten. Luister dus niet naar hen, waarschuwt Gideon Rachman.

Het land ontwikkelt massavernietigingswapens... De leider is een nieuwe Hitler... Hij heeft banden met terroristen... De tijd dringt... Indammen is mislukt... We moeten toeslaan voor het te laat is...

Als u dit allemaal eerder denkt te hebben gehoord – dat is ook zo. De argumenten voor een aanval op Iran zijn vrijwel precies dezelfde als de argumenten die voor een aanval op Irak werden gebruikt. En de mensen die de zaak bepleiten, zijn ook niet veranderd.

Neem James Woolsey, voormalig CIA-directeur, op een conferentie afgelopen maand waar hij sprak over de Iraanse president Mahmoud Ahmadinejad en diens dreigement om Israël van de kaart te vegen: „Hitler meende het toen hij zei dat hij de joden wilde uitroeien. Het stond letterlijk in Mein Kampf. We moeten dat wat mensen als Ahmadinejad en anderen tegen hun aanhang zeggen serieus nemen. Ze liegen niet; ze zetten hun ware bedoelingen uiteen.”

En neem Richard Perle, oud-medewerker van het Pentagon: „Eenmaal in het bezit van kernwapens kan Iran via zijn terroristische netwerken schade aanrichten... Alles draait om timing en inlichtingen. We kunnen ons niet veroorloven op alle bewijzen te wachten.” Ook dit is een herhaling van een geliefd deuntje. In februari 2003 betoogde Perle op de Amerikaanse televisie: „Laten we het er nu maar over eens zijn dat Saddam Hussein die wapens had en dat hij ten volle in staat is ze aan Al-Qaeda over te dragen.” Perle beklemtoonde hoe nijpend het probleem was: „Er is een dreiging en naar mijn mening is die urgent.”

Newt Gingrich, lid van de Defensieraad van het Pentagon, stelde afgelopen maand nog dat „de VS zich expliciet een machtswisseling in Iran ten doel zouden moeten stellen”, omdat Iran „de grootste steunverlener aan het terrorisme op de wereld” is. In 2002 schreef Gingrich: ‘De vraag is niet of we Saddam moeten vervangen. De vraag is of we moeten wachten tot Saddam biologische, chemische en nucleaire wapens aan terroristen geeft.

De mensen die een aanval op Iran bepleiten beweren dat de indamming mislukt. Dat zeiden ze ook van Irak. Al in 1997 stelde William Kristol, hoofdredacteur van The Weekly Standard: „In plaats van te proberen Saddam in te tomen, een strategie die is mislukt, zou ons beleid zich er nu op moeten richten om hem te verdrijven.” Negen later jaar riep Kristol op tot een militaire aanval op Iraanse doelen en vroeg op hoge toon: „Denkt iemand soms dat een nucleair Iran kan worden ingetoomd?”

Dick Cheney, de Amerikaanse vicepresident, was een van de geestdriftigste voorstanders van een aanval op Irak en is ook bij Iran weer een belangrijke havik. In 2002 hield hij de Amerikaanse oorlogsveteranen voor dat „het geen twijfel lijdt of Saddam Hussein heeft nu massavernietigingswapens” en bracht hij Saddam met het terrorisme in verband. Deze maand waarschuwde hij dat een nucleair Iran bij uitstek gevaarlijk zou zijn wegens de Iraanse „geschiedenis van steun aan terroristische organisaties”.

Natuurlijk hoeft iemand die in het verleden ongelijk heeft gehad, niet per se ook in de toekomst ongelijk te hebben. De aanwijzingen dat Iran massavernietigingswapens ontwikkelt, zijn zelfs veel sterker dan ze ooit in Irak zijn geweest.

De vertoning van Colin Powell bij de Verenigde Naties over het wapenprogramma van Saddam was een aanfluiting. Maar Iran heeft daarentegen zonder twijfel een actief atoomprogramma – de VN hebben onlangs bericht dat het land in mei een grote uraniumverrijkingsfabriek klaar denkt te hebben. Vanaf dat moment lopen de schattingen over de tijd waarin Iran de bom zou kunnen ontwikkelen uiteen van anderhalf tot tien jaar. Door zijn steun aan Hezbollah in Libanon en aan Hamas in Palestina stookt Iran ook duidelijk onrust in het Midden-Oosten – en wel veel actiever dan Saddam in de aanloop naar de inval in Irak in 2003.

De voorstanders van een aanval op Iran zouden er ook op kunnen wijzen dat ditmaal niemand een grootscheepse grondaanval of langdurige bezetting bepleit. De opzet zou zijn om vanuit de lucht de Iraanse atoominstallaties te verwoesten – al zal elke bombardementscampagne een aantal weken kunnen duren.

Misschien zou er nog een overtuigend pleidooi voor een luchtaanval op Iran te houden zijn, als de herinnering aan de ramp in Irak zou kunnen worden weggewist. Maar een dergelijk geheugenverlies is mogelijk noch wenselijk. Er zijn waardevolle lessen uit Irak te trekken. ‘Inlichtingen’ zijn vaak hoogst onbetrouwbaar. Praten over een ‘nieuwe Hitler’ is een belegen retorische truc die verboden zou moeten worden. Militaire acties die bij het begin ongecompliceerd lijken, hebben de nare gewoonte onverwachte wendingen te nemen. (Alleen al het feit dat er grondtroepen van de VS en hun bondgenoten in Irak en Afghanistan zijn, vergroot de kans op een onvoorspelbare escalatie.) En telkens als Amerika en zijn bondgenoten hun toevlucht tot geweld nemen, betalen ze overal ter wereld een enorme prijs aan politiek kapitaal – vooral als dit gebruik van militair geweld ‘preventief’ is.

De neoconservatieven en hun bondgenoten mogen nog zo schaamteloos voorbijgaan aan hun mislukking in Irak, dat wil niet zeggen dat de rest van de wereld ook zo vergevensgezind hoeft te zijn. Deze mensen hebben tenslotte zo ongeveer gesmeekt om op de resultaten van de oorlog met Irak te worden beoordeeld.

In een zelfvoldaan hoofdartikel aan de vooravond van de oorlog met Irak schreven de redacteuren van The Weekly Standard: „De oorlog zelf zal duidelijk maken wie gelijk had en wie ongelijk had over de massavernietigingswapens.” Inderdaad, ja. En ze eindigden zwierig: „De geschiedenis en de werkelijkheid maken zich op voor hun rol en wij zijn geneigd ze gewoon hun oordeel te laten vellen.” Nou, jongens, het oordeel is aanstaande – en het ziet er niet best uit.

In de meeste beroepen werken mislukkingen tegen ons. Architecten wier gebouwen instorten en artsen die hun patiënten verminken, kunnen meestal wel op bepaalde gevolgen rekenen. Diezelfde regels zouden moeten gelden voor mensen die rampzalige oorlogen bepleiten. Bekijk de mensen die voor een aanval op Iran zijn, bestudeer hun staat van dienst – en ren hard de andere kant op.

© 2007 The Financial Times Limited