Geheime gevangene van CIA vertelt

Een terreurverdachte die twee jaar vast zat in geheime gevangenissen van de CIA vertelt in detail over zijn ervaringen.

Meer dan twee jaar werd hij vastgehouden in het systeem van geheime gevangenissen van de CIA, de zogenoemde ‘black sites’. Maar nu is de Palestijn Marwan Jabour weer op vrije voeten en doet hij zijn verhaal: hoe hij als terreurverdachte werd opgepakt, opgesloten, vastgebonden en bedreigd – op verschillende onbekende plaatsen, steeds zonder advocaat, zonder dat zijn gezin wist waar hij was en zonder contact met het Rode Kruis.

Jabour heeft zijn ervaringen verteld aan The Washington Post en Human Rights Watch. Deze organisatie voor de mensenrechten, die vandaag een rapport publiceert over het netwerk van geheime CIA-gevangenissen, doet een beroep op president Bush om opheldering te geven over het lot van alle terreurverdachten die na opsluiting zijn verdwenen.

Bush zei in september dat veertien gevangenen uit de black sites waren overgebracht naar het kamp op Guantánamo Bay, en dat er „nu geen mensen meer in het CIA-systeem zitten”. Maar volgens Human Rights Watch is van zeker zestien voormalige gevangenen onduidelijk waar ze zijn gebleven.

Jabour, geboren in Jordanië, opgegroeid in Saoedi-Arabië en Pakistan, werd in mei 2004 in de Pakistaanse stad Lahore opgepakt – hij vermoedt door agenten van de Pakistaanse inlichtingendienst. Hij werd geslagen en toegetakeld met een gloeiend stuk ijzer. Na een paar dagen kwamen twee Amerikanen hem ondervragen: als hij meewerkte zou hij rijk worden, weigerde hij dan zou hij voorgoed verdwijnen, kreeg hij te horen.

Hij werd overgebracht naar een villa in de hoofdstad Islamabad, waarin cellen waren gemaakt. De villa werd gezamenlijk gebruikt door de CIA en de Pakistaanse inlichtingendienst, aldus Amerikaanse functionarissen tegenover The Washington Post. Vijf weken zou Jabour er blijven – aan een muur geketend, en nooit mocht hij meer dan een paar uur achter elkaar slapen. Amerikanen ondervroegen hem langdurig, Pakistaanse bewakers kwamen hem ’s nachts een aframmeling geven.

Jabour werd ervan verdacht betalingen verricht te hebben voor het terreurnetwerk Al-Qaeda. Volgens de Amerikaanse regering was hij „een toegewijde jihadist en een keiharde terrorist”. Zelf erkent hij dat hij in Pakistan in 2003 hulp gaf aan Al-Qaeda- en Talibaanstrijders die Afghanistan ontvluchtten. En in 1998 had hij vergeefs geprobeerd om zich, na drie maanden in een trainingskamp in Afghanistan, aan te sluiten bij moslimstrijders in Tsjetsjenië.

Maar Jabour is nooit in staat van beschuldiging gesteld, laat staan berecht. De Amerikanen brachten hem na vijf weken geblinddoekt over naar een gevangenis in Afghanistan – waar precies is onduidelijk. In zijn betonnen cel had hij twee dekens en een emmer. Het licht ging er nooit uit, er waren camera’s en microfoons, soms kwam er harde muziek uit luidsprekers en altijd was er een monotoon achtergrondgeluid, mogelijk om contact met andere gevangenen te bemoeilijken. Vaak werd hem het slapen onmogelijk gemaakt, urenlang werd hij staand aan de muur vast gebonden, pas na weken kreeg hij een broek, later een T-shirt, schoenen, een koran en uiteindelijk ook een matras.

De omstandigheden in de gevangenis werden geleidelijk beter: er kwam airconditioning, een bibliotheek, er werden zelfs filmavonden georganiseerd (waar onder meer Titanic werd vertoond).

In juni werd Jabour vrijgelaten, kort nadat het Amerikaanse Hooggerechtshof had bepaald dat de Conventies van Genève ook van toepassing zijn op gevangenen als hij. Geboeid, geblinddoekt en gedrogeerd werd hij per vliegtuig naar Jordanië gebracht. Zes weken later droeg Jordanië hem over aan Israël, waar hij zijn eerste advocaat kreeg. Na twee maanden werd hij uiteindelijk naar de Gazastrook gebracht en vrijgelaten.

Rapport van Human Rights Watch via nrc.nl/wereld