Eerste stap gezet naar processen Darfur

De aanklager van het Internationale Strafhof heeft zijn eerste twee verdachten bekendgemaakt voor Darfur. De kans dat zij terecht zullen staan is niet groot, omdat Khartoum medewerking weigert.

De lijst van verdachten van de misdaden in Darfur is lang, maar het benodigde bewijsmateriaal om tot vervolging over te gaan valt moeilijk te verzamelen. Na twintig maanden onderzoek heeft aanklager Luis Moreno-Ocampo van het Internationale Strafhof gisteren twee verdachten genoemd die hij wil vervolgen voor misdaden tegen de menselijkheid en oorlogsmisdaden. De hoogste Soedanese militaire en politieke leiders blijven voorlopig buiten schot.

Vermoedelijk die leiders besloten in 2003 in Darfur de tactiek van de verschroeide aarde toe te passen nadat rebellen een opstand waren begonnen. Hoge politici in Khartoum speelden hun bevelen heimelijk door aan de geheime diensten en het leger, waarna plaatselijke bestuurders en commandanten aan het werk gingen. Zij hielpen de Arabische Janjaweedmilities opzetten en bewapenen. De Janjaweed vielen in samenwerking met bestuurders en legerleiders dorpen in Darfur aan, roofden, moordden en verkrachtten. De Verenigde Naties schatten dat sindsdien 200.000 Darfurezen zijn gedood, en 2,5 miljoen ontheemd zijn geraakt.

Met de aanklachten tegen staatssecretaris van Humanitaire Zaken Ahmad Harun en Janjaweedleider Ali Kushayb richt het Strafhof zich op iemand uit het middenkader en iemand met een hoge positie. De slachtoffers in Darfur keken mensen als Kushayb in de ogen toen hij dorpen liet platbranden. Zijn veroordeling kan Darfurezen genoegdoening geven. Om aan te tonen dat de overheid de misdaden plande en liet uitvoeren, zoals de Amerikaanse regering met haar beschuldiging van genocide zegt, moet iemand van de top worden berecht, zoals Harun.

Het Strafhof kreeg twee jaar geleden van de Veiligheidsraad, die opdracht had gegeven tot het onderzoek, een lijst met 51 verdachten. Hun namen zijn nog steeds geheim, maar aangenomen wordt dat er tien hoge landelijke politici onder zijn, zeventien hoge bestuurders in Darfur, veertien Janjaweedstrijders en zeven rebellenleiders. De Amerikaanse organisatie Human Rights Watch noemt als mogelijke betrokkenen op het allerhoogste niveau president Omar al-Bashir, vicepresident Ali Omar Taha – die de hoofdverantwoordelijkheid zou hebben gehad voor Darfur – Bashirs medewerker Nafie Ali, minister van Defensie Bakri Salih en gouverneurs van Darfurese deelstaten. Verder wijst Human Rights Watch naar militieleider Hilal Musa en naar legerleiders in Darfur.

Ocampo zegt op dit moment alleen Harun en Kushayb te kunnen aanpakken. „We zijn dankbaar voor het werk van de onderzoekscommissie [van de VN, red], maar wij hebben onze eigen analyse, ons eigen bewijs”, zei hij in Den Haag. Minister voor Ontwikkelingssamenwerking Bert Koenders noemt Ocampo’s aankondiging „een belangrijke eerste stap om een einde te maken aan straffeloosheid”. „Zeker gezien het feit dat humanitaire organisaties door het geweld steeds slechter toegang hebben tot de kampen.” Human Rights Watch vindt dat Ocampo het niet bij deze twee mag laten. „Deze individuen zijn belangrijk, maar de aanklager moet Soedanese politici en militairen die op het hoogste niveau verantwoordelijk zijn voor de zwaarste misdaden in Darfur aanpakken”, zegt ICC-specialist Richard Dicker.

Het is niet toevallig dat juist in de streek rond de plaatsen Bindisi, Mukjar, Arawala en Garsila, het ICC kennelijk voldoende bewijzen heeft verzameld. Het moorden van overheidswege begon hier in 2003 en 2004 nádat de rebellengroepen zich uit eigen beweging naar de bergketen Jebel Mara hadden teruggetrokken. De militiestrijders, volgens bewoners samen met regeringssoldaten, namen wraak op de Afrikaanse bevolkingsgroep de Fur. De misdaden hadden zó openlijk plaats dat het moeilijk is geworden om alle bewijzen te verbergen. In 2004 lieten de daders in pogingen daartoe wel lijken in massagraven opgraven en verbranden.

Bovendien liggen de vernietigde dorpen vlak bij de Tsjadische grens. Veel vluchtelingen weken naar het buurland uit, waar zij bereikbaar zijn voor de onderzoekers van het Strafhof. Die hebben uit veiligheidsoverwegingen alleen getuigen buiten Darfur gesproken. Ook wil Ocampo onderzoek doen naar de uitbreiding van het conflict vanuit West-Darfur naar Tsjaad en de Centraal Afrikaanse Republiek.

Of het tot een proces komt is onzeker. De rechters gaan alleen tot dagvaarding over als zij vinden dat Soedan zelf niet genoeg doet om Harun en Kushayb te berechten. Kushayb is in november vorig jaar gearresteerd op last van een speciaal tribunaal dat Bashir drie dagen na de doorverwijzing van de Veiligheidsraad heeft opgericht. Dat tribunaal heeft nog geen hoge leiders veroordeeld voor de misdaden in Darfur. „De aanklager heeft goed duidelijk gemaakt dat er geen adequate nationale rechtspleging is”, zegt Koenders.

Als de rechters van het Strafhof tot dagvaarding besluiten, is het de vraag of Harun en Kushayb naar Den Haag komen. Het Strafhof mag zelf geen arrestaties verrichten en heeft weinig middelen om uitlevering af te dwingen. Dan kan eenzelfde situatie ontstaan als in Oeganda: anderhalf jaar geleden vaardigde het Strafhof zijn eerste arrestatiebevelen uit tegen de leiders van de rebellenbeweging LRA, maar omdat de Oegandese regering niet meewerkt aan hun arrestatie zijn zij nog op vrije voeten. Nu Ocampo in de zaak-Darfur zelfs een regeringsfunctionaris wil vervolgen, is een overdracht naar Den Haag nog onwaarschijnlijker.