De Seta ‘redt’ Italiaans programma

New Italian Cinema Events (N.I.C.E). 1 t/m 7 maart; Retrospectief Vittorio de Seta. 8 t/m 11 maart. In: Filmmuseum Vondelpark, Amsterdam.

Het voorzichtige optimisme over de toekomst van de Italiaanse film dat bij de vorige editie van het New Italian Cinema Events-festival werd uitgesproken, is bij de tiende editie al weer verdwenen. Het kan verkeren, en dit jaar valt het niet mee. Gelukkig wordt de Italiaanse eer gered door een retrospectief gewijd aan Vittorio de Seta (1923, niet te verwarren met voornaamgenoot Vittorio de Sica), ter viering van de tiende editie van het festival.

De Seta begon in de jaren vijftig met het maken van korte documentaires. Je zou hem de Italiaanse Haanstra kunnen noemen. Beiden legden de folklore van hun land vast in zowel documentaires als speelfilms. De Seta filmde het liefst de volkscultuur op Sardinië en Sicilië, en in de Zuid-Italiaanse provincie Calabrië. De primitieve manier van leven bleef in deze streken eeuwenlang onveranderd: vissen in kleine bootjes (Contadini del mare, Pescherecci), het hoeden van schapen in onherbergzaam gebied (Pastori di Orgosolo), rituelen – zoals het door De Seta vastgelegde meifeest in I dimenticati – en de constante dreiging van vulkaanuitbarstingen (Isole di fuoco). In een recent interview zei De Seta over zijn antropologische manier van werken: ,,Ik voelde dat deze wereld zou verdwijnen en daarom moest worden vastgelegd; je zou het verdwijnen van deze mensen, hun leven en hun cultuur zelfs een beetje kunnen zien als genocide. Ik heb iets vastgelegd dat toen de realiteit was, maar na vijftig jaar is het een document geworden. Ik ben geschokt dat er nu geen cultuur van herinneren meer is.’’

Het zijn prachtige documenten, gefilmd in kleur en breedbeeld, die tijdens het retrospectief aan zijn speelfilms voorafgaan, zoals zijn imposante fictiedebuut Banditi a Orgosolo (1961) – over een Sardeense schaapsherder die in aanraking komt met de maffia.

Van de zeven recente Italiaanse speelfilms (debuten of tweede films) is er slechts één echt de moeite waard, eentje die toevalligerwijs doet denken aan de korte documentaires van De Seta, maar dan opgenomen in Noord-Italië. In Il vento fa il suo giro neemt regisseur Giorgio Diritti ons mee naar een bijna uitgestorven bergdorp in de Alpen, in de grensstreek met Frankrijk, nabij Turijn. Gedurende de zomer wordt het bevolkt door toeristen. De resterende dorpelingen zijn stug en achterdochtig. Het kost de wat liberalere burgemeester veel moeite hen ervan te overtuigen om een Franse geitenhoeder toe te laten in de gesloten gemeenschap. De film laat vervolgens zien wat hem en zijn gezin overkomt, een mooie metafoor voor de irrationele angst voor ‘vreemden’. Het is doodzonde dat de film digitaal werd opgenomen, waardoor de prachtige, op locatie gefilmde, opnamen net niet de grandeur krijgen die ze verdienen.

Hadden de andere Italiaanse regisseurs in dit festival vol goedbedoelde pogingen maar zoveel ambitie.