Bos moet niet alleen boekhouder zijn

Het ministerschap van Bos kan een succes worden als hij ruimte schept voor nieuwe zorgverzekeraars en als hij de financiële wereld in de Kamer introduceert, meent Eduard J. Bomhoff.

De PvdA en belastinggeld – volgens menigeen een gevaarlijke combinatie. De Telegraaf voedde dat wantrouwen destijds door – niet geheel ten onrechte – het beeld van ‘gat in de hand’ en ‘potverteren’ te kopppelen aan het kabinet-Den Uyl (1973-1977) met de PvdA’er Duisenberg op Financiën. Maar ook het erop volgende kabinet-Van Agt-Wiegel (1977-1981) wist van wanten: het beslag van de overheidsuitgaven bleef oplopen tot uiteindelijk 62 procent. Wim Kok slaagde er, tijdens zijn vier jaar als minister van Financiën in om definitief af te rekenen met het beeld dat de PvdA niet viel te vertrouwen als het om belastinggeld ging. Zijn rechtlijnige en strenge aanpak stonden daar garant voor. Het tekort op de begroting daalde sneller dan tijdens zijn voorganger Onno Ruding en het beslag van de overheid op de economie nam verder af.

Toen Zalm in 1994 als minister van Financiën aantrad, bedroeg de staatsschuld 77 procent van de economie; nu nog maar 48 procent. Geld dat vroeger nodig was voor rente op de schuld komt weer beschikbaar voor meer aantrekkelijke uitgaven – of voor lagere belastingen.

Waren Ruding, Kok en Zalm betere boekhouders of sluwere politici dan Duisenberg? Ik denk dat het verschil meer te maken heeft met de tijdgeest. In de jaren zeventig beweerde Den Uyl dat de overheidssector de enige sector was die nog zou groeien, en professor Pen meende dat de economie maar moest krimpen, want dat was beter voor het milieu.

In 1979 kozen de Engelsen voor mevrouw Thatcher, maar de Nederlanders werden net zo goed sceptischer over de overheid. En dus werkten Ruding, Kok en Zalm in een tijd waarin het gemakkelijker werd om de omvang van de overheid te beheersen. Als dit politiek klimaat aanhoudt, zal het Wouter Bos ook wel lukken om de staatsschuld meer te laten dalen en de uitgaven in toom te houden. Wanneer hij dan en passant ook nog een paar miljard extra uitgeeft aan nuttige zaken, is dat niet iets om over in paniek te raken.

Daarom zal de reputatie van Wouter Bos, net als die van zijn voorganger Gerrit Zalm, uiteindelijk meer afhangen van andere, niet strikt boekhoudkundige zaken. Zalm was een deskundig minister en hij liet de schatkist beter achter dan hij die aantrof. Maar zijn reputatie leed onder roekeloze aansturing van de zorgsector. Zalm maakte bij zijn aantreden in 1994 misbruik van het feit dat minister Els Borst van Volksgezondheid een leek was op financieel gebied door haar een onhoudbaar, dwingend budgettair kader op te leggen. De zorgsector had een omvang van 9,3 procent van de economie toen Zalm en Borst begonnen, en Zalm forceerde een daling tot 8,6 procent in 2001 – het jaar met de ergste wachttijden. Toen raakte hij in paniek vanwege de aankomende verkiezingen in 2002 en stond toe dat het budget in één jaar weer steeg naar (toevallig) de eerdere 9,3 procent van de economie.

Omdat het systeem tijdens de periode 1994-2001 in reactie op de krappe budgetten nog veel bureaucratischer was geworden, zal het extra geld in 2002 en 2003 ook wel niet optimaal zijn besteed. In de tussentijd hadden Nederlanders onnodig hun leven verloren, omdat ze niet op tijd in aanmerking kwamen voor een operatie. Anderen leden maandenlang pijn vanwege extreme wachtlijsten voor het ziekenhuis.

Het is niet toevallig dat Pim Fortuyn in 2002 niet minder dan zes artsen in de Tweede Kamer bracht – zo wanhopig was de medische sector in die tijd over de wachtlijsten en de bureaucratie in de zorg.

Wouter Bos zou er goed aan doen om nog eens duidelijk te stellen dat het budget voor de zorg niet meer is dan een inschatting van de uitgaven. Als meer mensen ziek worden, of als er betere maar duurdere medicijnen beschikbaar komen, dan moeten de uitgaven mee groeien.

Zo is het met een verzekering. Het ministerie van Financiën is zelf verantwoordelijk voor de exportkredietverzekering waarmee bedrijven de risico’s kunnen afdekken van verkoop aan troebele landen. Hij weet ook niet op 1 januari wat die verzekering gaat kosten, maar het loket blijft in elk geval open tot 31 december. Dat moet ook gelden in de zorg, en niet alleen vanwege de rechten van de patiënten maar ook om een strategische reden.

CDA en VVD wilden in 2002 beslist een privaat stelsel voor de gezondheidszorg, maar tot nog toe ziet die private markt er niet erg bloeiend uit. De sector fuseert steeds verder en geen enkele buitenlandse verzekeraar toont interesse in de Nederlandse markt. Dat komt door een duister en instabiel systeem van vereffening van risico’s en ook door een traditie waarbij de minister van Financiën zijn collega van Volksgezondheid in de loop van het jaar dwingt om op allerlei financiële afspraken terug te komen. Verzekeraars en directies van ziekenhuizen weten nog steeds niet op 1 januari waar ze voor wat betreft vergoedingen en tarieven aan toe zijn.

De onzekerheid voor de patiënten is gelukkig voor een groot deel verdwenen door de ruimere middelen sinds 2002, maar de organisatorische onzekerheid is nog steeds enorm. Wouter Bos zou moeten helpen om de financiële regels voor de zorgsector simpeler en vooral betrouwbaarder te maken.

De erfenis van Zalm kent nog een zwakke plek. Hij heeft steeds De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten afgeschermd van evaluatie in de Tweede Kamer. In Engeland en in de VS wordt het financiële toezicht gewoon besproken in het parlement, en in Engeland is expliciet gesteld dat het niet werkt wanneer de parlementariërs alleen vragen mogen stellen aan de minister van Financiën en niet direct aan de toezichthouders.

In Nederland heeft de AFM een ongewenste sfeer van intimidatie geschapen. FEM Business schreef onlangs: „Wie je ook spreekt, niemand wil geciteerd worden over AFM-baas Docters van Leeuwen. Als je iets naars zegt over de AFM word je direct gestraft, zegt een directeur van een bureau voor beleggingsadvies”.

In de zaak van de clickfondsen hebben DNB en AFM zitten slapen, maar het parlement heeft nooit de kans gehad daarover in debat te gaan met de verantwoordelijke functionarissen. Nu zijn er controverses over private equity en hedgefondsen en dus doet minister Bos er goed aan om de twee toezichthouders direct in discussie te laten gaan met het parlement.

Laat president Wellink van DNB zijn openbare uitspraken van vorige week over een nieuwe grote aandeelhouder van ABN Amro maar komen toelichten in de Kamer. De zaak is er belangrijk genoeg voor en hij kan zich in de Kamer met meer juridisch detail uitdrukken dan in een kranteninterview. Als Bos de kaders in de zorg zo verbetert dat er plaats komt voor nieuwe verzekeraars, zou dat een grote winst zijn. En als hij de toezichthouders introduceert in de Kamer, laat hij zien dat zelfs in een land zonder gekozen burgemeester de democratie toch nog sterker kan worden. Twee potentiële successen die samen belangrijker zijn dan een miljard meer of minder in het financieringstekort.

Prof. Eduard J. Bomhoff was vicepremier en minister van Volksgezondheid in het eerste kabinet-Balkenende. Hij is thans decaan van de Business School van de Universiteit van Nottingham in Kuala Lumpur.