Woody van Amens krachtige tekens

Woody van Amen: Dwergeik (Acryl op doek, neon, led’s, 1998)

Tentoonstelling: Woody van Amen. T/m 3 juni bij het Centrum Kunstlicht in de Kunst, Emmasingel 31, Eindhoven. Di-zo 12-16u. Inl.: 040 2755183 / www.kunstlichtkunst.nl

De gretigheid waarmee Woody van Amen (1936) de wereld bekijkt, zie je al veertig jaar aan zijn kunst af. Het maakte dat hij in de jaren zestig een van de eerste Pop Art kunstenaars van Nederland werd, en later een van de grootste. In het plat gebombardeerde Rotterdam van na de oorlog werkte hij bij de Holland-Amerikalijn. Dagelijks zag hij mensen vertrekken naar een spannender, overzeese wereld. Met schrikbarend weinig dollars op zak besloot hij op een goede dag in 1961 voor twee jaar naar New York te reizen.

Van Pop Art had hij nooit gehoord, maar daar kwam natuurlijk gauw verandering in. Van Amen (in die tijd gaarne uit te spreken als ‘Ven Eemen’) ontmoette Robert Rauschenberg en Andy Warhol. Net als zij schilderde hij de tekens die hem in het land van de American Dream omringden: Esso, Mobil, Rizla. Al gauw liet hij het penseel los en stapte over op hippere assemblagetechnieken met technische foefjes zoals neonlampen uit reclameborden.

Aan die lichtkunstwerken, die hij sindsdien is blijven maken, is een tentoonstelling gewijd in de lichtstad Eindhoven, zijn geboorteplaats. Ze zijn ingedeeld in drie periodes: Pop Art, Indonesië en Taxat. Een Pop Art topstuk is de ontmoeting van Nixon en Mao. Een groot opgeblazen krantenfoto van het tweetal omlijstte hij met Chinese motieven. Er staat een trapje voor en de silhouetten zijn met neonlijnen afgezet – alsof het een altaarstuk met aureolen is. Ook tikte Van Amen op rommelmarkten echte altaarstukken op de kop, gaf ze een lik verf en vulde ze met plastic, lampjes en een roterend Mariabeeldje dat een printje van een New Yorkse taxi draagt.

Amerikaanse Pop Art reageerde op de nieuwe welvaart, maar Van Amen viel niet alleen op de consumptiemaatschappij. Met zijn schilderijen en objecten reageerde hij op de visuele cultuur die ons omringt. Hij zocht vooral krachtige tekens. Dat konden bedrijfslogo’s zijn, de Matterhornberg of Boeddha. Een reis door Indonesië verrijkte zijn beeldtaal met religieuze symbolen en decoratieve patronen, waarin de neonlijnen een meer spirituele rol kregen – van reclame naar christelijk aureool naar geestelijke verlichting. Uiteindelijk zou hij zijn eigen symbool ontwerpen: de taxat, een dubbelkruis. Het was de vlag van het zelfverzonnen Taxanië, zei hij, maar uiteindelijk ging het hem vooral om de verering van een abstract teken.

Lopend door de tentoonstelling krijg je het gevoel dat de taxat een sluitstuk is van dit oeuvre, maar ook van onze visuele cultuur. Het is het ultieme teken, omdat het naar niets meer verwijst. Een leeg symbool opladen en verheerlijken, dat raakt aan de kern van religie, reclame, politiek en beeldende kunst. De taxat kun je dan ook zien als het gouden kalf uit de Bijbel.

Alleen: God had maar één gouden kalf nodig om zijn punt over verafgoding te maken. Ook Van Amen had het bij eentje moeten laten. Hij gebruikt de taxat nu al vijftien jaar in abstracte schilderijen en als sokkelobject. Maar het langere tijd verheerlijken van een leeg symbool leidt onvermijdelijk tot lege, betekenisloze abstracties die het decoratieve niveau moeilijk ontstijgen.

Doordat de tentoonstelling alleen lichtkunst bevat, vallen sommige objecten buiten de boot. Dat geeft niet, want de lichtobjecten geven met hun glamour juist heel goed Van Amens ideeën en de consistentie van zijn oeuvre weer. De Pop-objecten sprankelen, de Indonesische serie wisselt qua niveau, en uit de taxat-serie valt één werk in positieve zin op: een schilderij van een zeppelin met taxat-logo. De zeppelin zendt via ledlampjes licht uit in de nachtelijke hemel en over de dynamische stad.

Hier zie je dat Van Amen van huis uit een schilder is. Licht, verf, verering zorgen hier voor een betoverend samenspel.