‘Onze worsteling hier is niet uniek’

Het gebrek aan integratie werd de Grieken fataal. De Romeinen deden het wat dat betreft beter.

Overeenkomsten met nu liggen voor de hand.

Toeristen wandelen naar de Parthenon-tempel, bovenop de Acropolis in Athene. Foto AFP (FILES) -- File picture dated 28 September 2007 shows groups of tourists walking to the fifth century BC Parthenon temple, at the top of the Athens' Acropolis hill, 28 September 2006. Egypt is fuming over a competition to choose the world's "new seven wonders," deriding it as a marketing stunt that demeans the pyramids of Giza, the only surviving ancient wonder. Among the 21 sites short-listed for the new competition are Petra in Jordan, the Eiffel Tower, the Acropolis in Athens, the Statue of Liberty, the Taj Mahal, the Sydney Opera House and the Great Wall of China. AFP PHOTO/ARIS MESSINIS AFP

De Romeinse politicus Marcus Porcius Cato (234-149 voor Christus) dankt zijn plek in de geschiedenisboeken voornamelijk aan het venijnige slot van zijn redevoeringen. Dat luidde steevast ‘Ceterum censeo Carthaginem esse delendam’ (Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden). Cato reserveerde zijn vreemdelingenhaat niet voor de bewoners van deze Noord-Afrikaanse staat. Dit zei hij over de Grieken: ‘Ze hebben elkaar gezworen alle barbaren met hun geneeskunst uit te roeien en ze laten zich er zelfs voor betalen om vertrouwen te wekken en ons gemakkelijk te kunnen verdelgen.’

In Vreemd Volk, het nieuwe boek van oud-historicus Fik Meijer (1942) ritselt het van dit soort sentimenten ten opzichte van ‘de anderen’. Cato was bij lange na niet de enige xenofoob van de antieke wereld. „Ik hoor wat er in onze maatschappij gezegd wordt over autochtonen, allochtonen en integratie. Die woorden vinden hun etymologische oorsprong in de talen van de Grieken en Romeinen. Ik hoop mensen te laten zien dat de vraagstukken waarmee wij nu in Nederland worstelen niet uniek zijn.”

In de stadstaat Athene, alom bejubeld als de geboorteplaats van de democratie, betrachtten de burgers al veel dedain ten opzichte van buitenstaanders. Meijer: „De vreemdelingen die Athene waren binnengelaten om er te werken, maakten geen kans op burgerrechten. Ze mochten belasting betalen, dat was het wel.”

Zelfs Grieken die zich elders in het mediterrane gebied als kolonist vestigden, weigerden te integreren. Meijer denkt dat dit komt doordat de Grieken kleine kolonies stichtten. „Ze waren altijd in de minderheid ten opzichte van hun omgeving. Daardoor hielden ze zich nog sterker vast aan hun eigen identiteit.”

Pas onder Alexander de Grote leek er een andere wind te gaan waaien. Hij dwong zijn generaals om met inheemse prinsessen te trouwen en nam een aantal Perzische gebruiken over. Meijer betwijfelt echter of Alexander ’s werelds eerste multiculturalist was. „Hij was vooral een pragmaticus. Met het handjevol soldaten dat hij had, had hij in zo’n groot rijk anders nooit kunnen overleven.”

Terwijl de erfgenamen van de Macedonische koning om de resten van zijn rijk vochten, ontstond in Italië een staat die anders zou omgaan met vreemdelingen. Het Romeinse leger was genadeloos voor de volken dat het overwon, maar na een paar generaties maakten voormalige vijanden al kans op het Romeins burgerschap.

Meijer denkt dat de inwoners van Rome hun relatief liberale blik ten opzichte van ‘buitenlanders’ hebben overgehouden aan de periode in de 7de en 6de eeuw voor Christus toen ze door de Etrusken werden overheerst. „Dat volk heeft de Romeinen het nodige geleerd, bijvoorbeeld op het gebied van religie. Dat bracht de Romeinen respect voor andere volken bij.”

In de eeuwen die volgden was iedereen die zich wilde aanpassen welkom in het Romeinse rijk, hoewel lieden als Cato zich heftig bleven verzetten tegen de instroom van al die buitenlanders. Maar de immigranten bleven toestromen, met honderdduizenden, op zoek naar het geluk in de hoofdstad van de wereld.

In het jaar 48 hield keizer Claudius een toespraak waarin hij uitlegde waarom vreemdelingenangst contraproductief was. ‘Wat is Sparta en Athene, militaire grootmachten van weleer, fataal geworden? Ze hielden hun tegenstanders op afstand en behandelden hen als ongewenste vreemdelingen.’

Uiteindelijk zou het Romeinse rijk toch bezwijken, onder druk van buitenaf én binnenuit. De barbaren die binnenvielen waren niet geïnteresseerd in het burgerschap, maar slechts in buit. Bovendien leed het rijk aan economische stagnatie. Maar wat ook meespeelde was dat er binnen het rijk ‘een volk’ was opgestaan dat weigerde zich aan te passen.

De christenen geloofden dat hun god de enige ware was en weigerden hem een plaatsje te geven in het pantheon waarin ook andere vreemde goden als Isis een plek hadden gevonden. Dat tastte de onderlinge cohesie in het rijk aan. Meijer: „De Romeinen moesten wel hard optreden tegen deze in hun ogen gevaarlijke sekte, maar ze legden het uiteindelijk af tegen de volharding van de christenen. Daarom hoop ik dat we erin slagen in Nederland immigranten te laten integreren op het niveau van voetbalclubs en buurthuizen. Als de mensen die hier nieuw zijn niet op dit niveau kunnen integreren en hun identiteit gaan zoeken in een religie die aanspraak maakt de enige waarheid te verkondigen, dan heeft de maatschappij een probleem. Daarom moeten we actie ondernemen in de wijken en niet het zoveelste debat van geleerde heren opzetten. De elite heeft altijd wat te zeuren over de teloorgang van de cultuur. Dat is in 2.500 jaar niet veranderd.”

Fik Meijer: ‘Vreemd Volk. Integratie en discriminatie in de Griekse en Romeinse wereld’, Athenaeum – Polak & Van Gennep, 331 blz. € 19,95