Nieuwe houding van VS tegenover Musharraf

Amerikaanse steun aan Pakistan is niet meer vanzelfsprekend, zegt Dick Cheney. Het Witte Huis vindt dat de resultaten van de Pakistaanse strijd tegen terreur tegenvallen.

De Amerikaanse vicepresident Cheney wilde zelf niets kwijt over de boodschap die hij gisteren aan de Pakistaanse president Musharraf heeft gebracht. Die was dan ook ongebruikelijk hard: Cheney dreigde de Amerikaanse hulp aan Pakistan in te perken als Musharraf – een bondgenoot in de strijd tegen terreur – niet daadkrachtiger optreedt tegen Al-Qaeda en de Talibaan, die vanuit Pakistan aanvallen uitvoeren in Afghanistan.

De Pakistaanse regering maakte gisteren na Cheneys verrassingsbezoek aan Islamabad bekend dat de vicepresident had gezegd „zich ernstige zorgen te maken over een op handen zijnd ‘lenteoffensief’ tegen geallieerde troepen in Afghanistan”, waarvoor inlichtingendiensten aanwijzingen hadden verzameld.

Anonieme medewerkers van inlichtingendiensten zeiden vorige week in The New York Times dat het leiderschap van Al-Qaeda zich hergroepeert in de semi-autonome, wetteloze tribale gebieden aan de Afghaanse grens en daar het afgelopen jaar opleidingskampen voor terroristen heeft gesticht. Vooral vanuit Noord-Waziristan, de tribale regio waar Musharraf afgelopen september een controversieel bestand met stamleiders sloot, zouden Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri kunnen opereren.

Minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice zei zondag op nieuwszender ABC dat zij niet gelooft dat „dit dezelfde organisatie is als die vanuit Afghanistan opereerde”, maar ook dat „we waakzaam moeten zijn”. Eerder zei ze al dat „er wat teleurstellingen zijn” over het akkoord in Noord-Waziristan. Musharraf sprak daar met lokale stamleiders af dat het leger de wapens stil zou houden als de stamleiders hun medewerking aan aanslagen in Afghanistan zouden stoppen. Het geweld is sindsdien echter fors toegenomen, zegt de NAVO-stabilisatiemacht ISAF.

Toen Musharraf zich na de aanslagen van 11 september 2001 een „onvoorwaardelijke bondgenoot” van de VS verklaarde, kreeg hij daar veel voor terug. Onderzoekers Craig Cohen en Derek Chollet van het Amerikaanse Center for Strategic and International Studies schatten dat Islamabad sindsdien tien miljard dollar aan militaire en economische hulp heeft ontvangen, en wellicht evenveel aan geheime militaire hulp. Maar de resultaten daarvan zijn moeilijk waarneembaar, schrijven zij in het voorjaarsnummer van het tijdschrift Washington Quarterly: „Het loont de moeite zich af te vragen of het Amerikaanse beleid zijn grenzen heeft bereikt en of het nu niet meer geleid wordt door inertie dan door strategie.” De denktank Rand Corporation schreef vorige maand in een rapport dat de VS de hulp zouden moeten herzien, omdat niet uitgesloten was dat er met Amerikaans geld mensenrechten worden geschonden.

Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden heeft onlangs een wetsvoorstel aangenomen waarin president Bush verplicht wordt zich ervan te vergewissen dat Pakistan alle mogelijke moeite doet om terrorisme te bestrijden, als voorwaarde voor Amerikaanse militaire hulp. De Senaat buigt zich waarschijnlijk deze week over het voorstel. Musharraf zei gisteren in Islamabad zich zorgen te maken over „deze discriminatoire voorgestelde wetgeving”.

De VS zullen voorlopig niet zelf de wapens ter hand nemen in de tribale gebieden, denken Cohen en Chollet. Musharraf mag geen steun onder de bevolking verliezen. Niet omdat hij nu zo’n goede visie heeft of zo betrouwbaar is, maar wegens gebrek aan beter. Waarschijnlijk eind dit jaar zijn er presidentsverkiezingen, en de andere kandidaten zijn „nauwelijks democratischer, eerlijker of capabeler dan Musharrafs militaire regime”, aldus de onderzoekers.