Lichtzinnige omgang met nationaliteiten

Bij de benoeming van de staatssecretarissen Aboutaleb en Albayrak zijn fouten gemaakt, al hoeft aan hun loyaliteit niet te worden getwijfeld, vindt J.R. van Zwet. Wel is nader onderzoek gewenst.

Afgelopen week is ophef ontstaan over de benoeming tot staatssecretaris van Ahmed Aboutaleb en Nebahat Albayrak. Merkwaardig genoeg heeft die ophef geen weerklank kunnen vinden in de Tweede Kamer. De nieuwe voorzitter vindt het parlement blijkbaar niet de plaats om standpunten te bespreken die het kabinet onwelgevallig zijn. De vraag waar het om draait en die door de Kamer niet is beantwoord, luidt: staat een tweede nationaliteit het deel uitmaken van de Nederlandse regering in de weg?

Onze Grondwet stelt geen bijzondere eisen aan hen die Nederlander zijn of worden. Eden van trouw of het betuigen van instemming met de een of andere heilsleer of staatsideologie worden niet gevergd. Hoofdstuk 1 van de Grondwet heet dan ook eenvoudig ‘Grondrechten’. Voor het bekleden van allerlei hoge staatsambten is het echter wél noodzakelijk een ‘zuiveringseed’ af te leggen. Het gaat in wezen om trouw aan de koningin en de Grondwet, terwijl het Nederlandse belang niet uit het oog verloren mag worden.

De vraag is nu of de tweede nationaliteit van de staatsecretarissen verplichtingen met zich meebrengt, die zich verzetten tegen de door hen afgelegde eed. Over de toestand in Marokko geeft de Grondwet van dat land helaas maar weinig uitsluitsel. De Turkse Grondwet is echter een reële afspiegeling van de machtsverhoudingen in dat land en bovendien onder de bevolking geen dode letter. Probleem is echter wél dat de waarden die de Turkse Grondwet belichaamt, niet altijd de onze zijn. Zo wordt in de preambule van die Grondwet volstrekt duidelijk gemaakt, dat de ideologie van Atatürk voor iedere Turk verplichte kost is. Zijn „nationalisme, principes, hervormingen en modernisme” mógen eenvoudigweg niet aangetast worden. Ook is het zo dat de Turkse Grondwet wel degelijk verplichtingen en beperkingen oplegt aan haar staatsburgers. Zo bepaalt art. 23: „Het recht van een staatsburger het land te verlaten, kan beperkt worden op grond van burgerlijke verplichtingen of strafrechtelijk onderzoek of vervolging.” Het zal duidelijk zijn dat met name het gedeelte over ‘burgerlijke verplichtingen’ voor een Nederlandse bewindsvrouw volkomen onaanvaardbaar is. Háár voornaamste verplichting ligt immers in Nederland. In art. 38 wordt de Turkse staatsburger vervolgens een recht toegekend, dat voor haar al evenmin acceptabel zou moeten zijn: de vrijwaring voor uitlevering aan het buitenland. Deze bepaling ondergraaft in hoge mate de Nederlandse ministeriële verantwoordelijkheid. Die is immers óók strafrechtelijk van aard. De mogelijkheid die staatssecretaris Albayrak zo behoudt zich te onttrekken aan het strafrechtelijke deel van haar ministeriële verantwoordelijkheid, is zonder meer in strijd met de door haar afgelegde eed of belofte.

Onder de bepalingen over het Turkse staatsburgerschap is inderdaad geen bepaling te vinden, die het onmogelijk maakt het Turkse staatsburgerschap neer te leggen. Wél blijkt het Turkse staatsburgerschap in feite geen ruimte over te laten voor loyaliteit jegens een ander land. Art. 66 bepaalt namelijk: „Geen Turk zal het staatsburgerschap ontnomen worden, behalve als hij een daad begaat, die onverenigbaar is met de trouw aan het moederland.” Een dergelijke – zéér zware – bepaling is in de Nederlandse Grondwet volkomen ondenkbaar. Door het willens en wetens behouden van dit staatsburgerschap, kiest mevrouw Albayrak dus voor trouw aan het Turkse moederland. Deze aan het Turkse staatsburgerschap inherente trouw is echter onverenigbaar met de eed die zij als staatssecretaris heeft afgelegd. Die zuiveringseed was dus vals en daarmee heeft de staatssecretaris zich schuldig gemaakt aan schending van de Nederlandse Grondwet.

Dat geldt ook voor formateur en premier Balkenende, die immers de verantwoordelijkheid draagt voor haar toelating tot de eedsaflegging. Het is verbijsterend, dat aan het voor het eerst benoemen van bewindslieden met een dubbele nationaliteit – en consequenties daarvan – blijkbaar geen gedachte is gewijd.

Wat nu? Hoewel er lichtvaardig met de zuiveringseed omgesprongen lijkt zijn, is er evenwel nog steeds geen reden aan de loyaliteit van de beide staatssecretarissen te twijfelen. Anders dan de PVV meent, is er dan ook geen reden voor een motie van wantrouwen. Wél zijn er fouten gemaakt, die schending van de Grondwet kunnen opleveren. In het geval van bewindslieden levert dat een ‘ambtsmisdrijf’ op. Voor staatssecretaris Aboutaleb geldt weliswaar dat er meer onduidelijkheid bestaat, maar dat een onderzoek naar het plegen van eenzelfde ‘ambtsmisdrijf’ gerechtvaardigd en daarom gewenst is.

Art. 119 van de Grondwet bepaalt, dat zo’n onderzoek door de Hoge Raad moet geschieden. De opdracht kan worden gegeven door het kabinet of de Tweede Kamer. Het verdient natuurlijk de voorkeur, dat het kabinet dit besluit zou nemen. Dat heeft als voordeel dat het geding, dat duidelijkheid zal scheppen over mogelijkheid van bewindslieden met een dubbele nationaliteit, het karakter van een proefproces zou krijgen. De vertrouwensvraag kan natuurlijk altijd nog in de Kamer aan de orde komen – als de Hoge Raad aan het woord is geweest.

Dr. J.R. van Zwet is historicus.

    • J.R. van Zwet