Hoe slimmer zij is, des te rozer de kaft

Wat is dat toch met Nederlandse schrijfsters?

Hebben ze zich eindelijk vrijgevochten, beperken ze zich nog tot het schrijven van felgekleurde niemendalletjes.

In Mrs. Dalloway lezen we over de hoofdfiguur Clarissa, die de bloemen schikt, terwijl haar hoofd gevuld is met een mengelmoes van alledaagse gedachten die voor niemand van bijzonder belang zijn behalve voor haarzelf. Clarissa’s leven is zo’n typisch vrouwenbestaan dat niet meeslepend is en ook niet dieptragisch, maar vooral erg gewoontjes.

In de ogen van Virgiana Woolf, de schrijfster van Mrs. Dalloway, was het de taak van vrouwelijke auteurs om de obscure vrouwenlevens voor het voetlicht te brengen. De beste manier om dat te doen was volgens haar om aandacht te vestigen op het dagelijkse leven van vrouwen, inclusief de details die in de mannenliteratuur over het hoofd worden gezien. Daarom is de focus van Woolfs boek de gevoelswereld van de hoofdrolspeelster.

In dit opzicht is Mrs. Dalloway de voorloper van de moderne chicklit. Dat is het genre vrouwen-voor-vrouwenboeken dat nauwgezet verslag doet van het ‘bewogen’ leven van de vrouwelijke protagonist. De hoofdfiguur is altijd een komisch-neurotische, semi-vrijgezelle vrouw rond de dertig die zich hartverwarmend onhandig en met veel gevoel voor drama en zelfspot door het leven slaat. Des te meer de vrouwelijke hoofdpersoon professioneel en intellectueel in haar mars heeft, des te sterker dient te worden benadrukt dat ze in wezen maar een onnozel gansje is.

Chicklit-boeken worden zonder uitzondering uitgegeven in kekke kleuren, liefst fluorescerend roze. Na het commerciële succes van Bridget Jones’s Diary en Sex and the City heeft het chicklit-genre zo’n vlucht genomen dat de gemiddelde boekhandel nu veel weg heeft van een make-upspiegel, zoals New York Times-columniste Maureen Dowd onlangs opmerkte.

Maar hoe vaak je koolstof ook slijpt, het wordt geen diamant. Vrouwelijke waarden, zoals Virginia Woolf het uitdrukte, zijn immers niet triviaal omdat ze vrouwelijk zijn, maar omdat het vrouwenbestaan van oudsher over onbeduidende zaken gaat. En ook al hebben de hedendaagse chicklit-heldinnen een heuse opleiding en een baan, de meest prangende vraag die in de felgekafte boekjes aan de orde komt, is hoe ze Mr. Right of Meneertje Knipperlicht kunnen strikken.

Het lijkt mij dan ook niet terecht om literaire jury’s te verwijten dat de laatste 22 AKO- en Libris-literatuurprijzen naar mannen gingen. Het probleem is ook niet dat vrouwen minder talent hebben voor schrijven dan mannen. De Nobelprijs voor de literatuur werd in 2004 zeer terecht toegekend aan de Oostenrijkse schrijfster Elfriede Jelinek, vooral bekend van het boek De Pianiste. De prestigieuze Booker Prize is sinds 1995 vier keer door een vrouwelijke auteur gewonnen, en Woolf zelf was een begenadigd schrijfster.

Het echte probleem is dat relatief weinig vrouwen in Nederland een serieuze poging doen om een goed boek te schrijven. In ‘Chicklit is voor de lipstickfeministe’ (nrc.next, 6 februari) stelde Herien Wensink de vraag waarom intelligente jonge vrouwen oppervlakkige chicklit over uiterlijkheden verkiezen boven mogelijk werkelijk interessante boeken die ze zouden kunnen schrijven. Volgens Wensink zet de huidige generatie schrijfsters zich af tegen de vorige generatie feministes bij wie het soms leek dat vrouwen niet mooi móchten zijn, wilden ze serieus genomen worden. De focus op uiterlijk en de zoektocht naar mannelijke erkenning van de schrijfsters van chicklit lijkt een statement. Het is zelfverkozen oppervlakkigheid als fier uitgedragen lifestyle, aldus Wensink.

Zo beschouwd zijn de vorige generatie feministes en de nieuwe generatie chicklit-schrijfsters nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Beiden zien een spanning tussen brains en beauty, alleen kozen de vroegere feministes ervoor om hun brains te gebruiken, terwijl de huidige generatie schrijfsters uitdrukkelijk voor beauty kiest, oftewel mannelijke erkenning.

Behalve in de literatuur valt ook elders in de samenleving het gebrek aan ambitie van Nederlandse vrouwen op. Rola Nassár, stafmedewerker van het poppodium Paradiso in Amsterdam en jongste bestuurslid van het vrouwenplatform Women Inc., zegt deze maand in het maandblad Red te betwijfelen of vrouwen wel zoveel meer willen. „Ze willen het gewoon leuk hebben en vinden het eigenlijk wel prima zoals het nu is. Ze willen de strijd helemaal niet aangaan. Ze doen de opleiding die ze leuk vinden en dan zien ze wel. Ze vinden wel dat er meer vrouwen aan de top moeten zitten, maar zelf hoeven ze niet zo nodig.”

Wat is dat toch met Nederlandse vrouwen? Vroeger waren ze veroordeeld tot onbeduidende bezigheden. Nu kiezen ze zelf voor trivialiteit. Is het fear of flying, of zijn ze werkelijk bang dat ze geen vent meer in bed krijgen als ze hun hersens gaan gebruiken?

Heleen Mees is columnist van NRC Handelsblad en woont in New York.

Lees het artikel van Herien Wensink op nrc.nl/opinie