Geen genocide

De VN-rechters van het Internationale Gerechtshof hebben gisteren de juridische aansprakelijkheid voor landen bij genocide zeer strikt geïnterpreteerd. Servië, zo oordeelden zij, heeft tijdens de oorlog in Bosnië geen volkenmoord gepleegd. Het hoogste tribunaal in de wereld neemt alleen genocide door landen aan als sprake was van specifieke opzet om een bijzondere en definieerbare groep te vernietigen. De uitspraak heeft behalve juridische ook politieke betekenis. Grootschalige schadevergoeding is uitgesloten en Servië kan zich hiermee beter op een toekomst in Europa richten.

Als model voor de uitspraak lijkt de Wannseeconferentie uit 1942 te staan, over het ‘Joodse vraagstuk’: een ordelijke bijeenkomst met schriftelijk verslag waaruit onomstotelijk de misdadige bedoeling van de nazi’s kon worden afgeleid een bevolkingsgroep te vermoorden. Het argument van Bosnië-Herzegovina, de aanklagende partij, dat aansprakelijkheid voor genocide ook mag worden afgeleid uit een patroon van gedragingen door een land, is verworpen. Als voorbeeld werden oorlogshandelingen en politieke verklaringen aangevoerd. Voor een eerste uitspraak op nieuw terrein is het verstandig bij strenge interpretatie van de vereisten voor het delict te beginnen. Dicht bij de daad, liefst op de plaats delict.

Onder de flagrante schendingen van het recht in de oorlog in Bosnië bleek het hof in één geval wel tot genocide te kunnen concluderen: de vooropgezette moord op de moslimmannen in de VN-enclave Srebrenica. Daar, in de zomer van 1995, besloot generaal Ratko Mladic, bevelhebber van de Bosnisch-Servische troepen in de eerste helft van de jaren negentig, om een religieus-etnisch onderscheiden groep medemensen te vermoorden. De aansprakelijkheid van Belgrado blijft beperkt tot het schenden van de verdragsverplichting zich in te spannen deze genocide te beletten. Van feitelijk medeplegen, samenzweren of aanzetten tot de wandaden in Srebrenica door Servië is onvoldoende gebleken. Belgrado wist niet precies wat Mladic van plan was, maar kon het alleen vermoeden. En dat is niet genoeg.

De uitspraak stelt Servië politiek in staat twee belangrijke stappen te nemen: parlementaire veroordeling van het bloedbad bij Srebrenica en volledige samenwerking met het Joegoslavië-tribunaal. Dit laatste onder meer om twee hoofdrolspelers op te pakken die nog vrij rondlopen: Mladic en voormalig politiek leider Radovan Karadzic.

Maar het genuanceerde vonnis heeft eerst en vooral juridische betekenis. Moreel biedt een besluit dat zich juridisch moest beperken tot de vraag ‘genocide ja/nee’ en ‘wie wist er precies van’ onvoldoende genoegdoening voor de slachtoffers. Het recht vraagt bij verantwoordelijkheid voor genocide om precisie en onomstotelijk bewijs. Wraakzucht en vermoord worden uit willekeur zijn en blijven ‘gewone’ misdaden. De afstand tussen de nabestaanden en het Internationale Gerechtshof zal niet overbrugd kunnen worden. De internationale rechtsorde is gebrekkig: de rechtspraak is vrijwillig, het vonnis symbolisch, de reikwijdte beperkt tot de kwestie waaraan de lidstaten zich bij verdrag wilden committeren. Maar een alternatief is er niet. Of het moest een gewapend conflict zijn: nieuwe moorden om de vorige te vergelden. Het is vooruitgang dat landen ervoor kiezen dergelijke kwesties door arbitrage te laten beoordelen.