Een goed gesprek met gigolo Omar

Na de film American Beauty en de tv-serie Six feet under schreef Alan Ball ditmaal een toneelstuk over verwrongen Amerikaanse relaties. Over een Arabisch-Amerikaanse gigolo die je elke naam mag geven, behalve Osama.

Peter Macdissi als rijke flierefluiter Dwight en Austin Lysy als gigolo Omar in All that I will ever be Foto: Joan Marcus NYTW - All I Ever Want to Be Marcus, Joan

Je zou All that I will ever be een gewoon modern relatiedrama kunnen noemen, zij het met in de hoofdrollen een Arabisch-Amerikaanse gigolo en een steenrijke flierefluiter. Maar omdat het een toneelstuk van Alan Ball is, zijn eerste in twaalf jaar tijd, wordt het met meer dan gewone belangstelling gevolgd. Want sinds hij in de film American Beauty en daarna in de tv-serie Six feet under met schurende humor de pijn in Amerikaanse gezinnen en liefdesrelaties toonde, en daarmee een Oscar en een hele serie andere prijzen in de wacht sleepte, blijft niets van wat Alan Ball doet onopgemerkt.

All that I will ever be wordt deze weken opgevoerd in de kleine maar vooraanstaande zaal van de New York Theatre Workshop. De hoofdrol wordt gespeeld door de manipulatieve kunstdocent uit Six feet under, Peter Macdissi.

Ball veracht gebrek aan nuance en de zoektocht naar de makkelijke glimlach. „Het gevaar van intimiteit, hoe pijnlijk het eigenlijk kan zijn tot elkaar te komen” is het terugkerende thema in zijn werk, zei hij volgens New Yorkse media in aanloop naar de première. En hij gaf er geruststelling bij. ,,Ik zeg niet dat we voor altijd alleen moeten blijven; maar het is gewoon niet zo eenvoudig als op tv of in de film.”

All that I will ever be speelt zich af in Los Angeles, waar gigolo Omar ’s nachts uren in de auto doorbrengt om van klant naar klant te rijden. Het stuk is een reeks bondige postcoïtale gesprekken (met korte scènes, als was het tv-serie of film), waarin elke nieuwe klant voor Omar een kans is een nieuwe identiteit uit te proberen.

Subtiel is anders, maar één van de mannen, rijkeluiszoon Dwight, noemt de leverancier van snelle seks opeens geen Omar maar Osama. Tijdens de seks. Waarop de mannen werkelijk in gesprek raken en het prostitutiepatroon van vragen-vrijen-vaarwel doorbreken. Wie hij is, wil zijn, vraag het hem niet. Maar een terrorist is hij niet, dat weet Omar wel zeker. Hij werkt immers overdag in een telefoonzaak. Wat dan wel? Is hij misschien ,,fucked up”, naar de kloten? Dat zeker. Blank? Misschien. „Ik ben ieder geval niet zo triest vanille als jij. Natuurlijk ben ik wit. Maar volgens de meeste witte mensen dan weer niet.”

De kennismaking is rauw en de rest van de relatie verloopt net zo. Volgens Ball zit het hedendaagse Amerika vol met „ongelooflijke en alomtegenwoordige ontkenningen”, zo zegt hij in het essayboek Considering Alan Ball. ,,Ontkenning van de waarheid, van dood, van ouder worden, ontkenning van onze cultuur zoals die echt is.”

Daarmee komt Ball soms wat prekerig over. Als we doen alsof het leven alleen maar bestaat uit plezierige momenten, zei hij bijvoorbeeld ook, ,,bewijzen we het leven geen eer”. Liever dus stilstaan bij wat potentieel prachtig is, maar in de praktijk ellendig uitpakt.

Dat contrast zoekt Alan Ball telkens weer op. Hij begon zijn carrière als scenarist voor de tv-series Grace under fire en Cybill. Daarna beschreef hij in American Beauty een gedeprimeerd huwelijk in een aangeharkte buitenwijk en bedacht hij een familie van begrafenisondernemers voor Six feet under. Daarop volgde het schrijven en regisseren van de film Towelhead, over een van oorsprong Arabisch meisje dat als Amerikaanse worstelt met haar seksualiteit. Die film moet nog uitkomen. Nu is hij bezig met de casting voor een nieuwe tv-serie: True Blood, over een wereld waarin vampiers en mensen naast en met elkaar kunnen leven. De eerste afleveringen moeten later dit jaar in de VS uitgezonden worden.

Tussen al die bedrijven door kon All that I will ever be rijpen. Al een jaar voordat Ball in 2005 Six feet under afrondde, begon hij na een bezoek aan een Californische elektronicaketen te spelen met het personage van een identiteit zoekende immigrant. Overdag verkoper van mobiele telefoons, ’s avonds in te huren voor genot op bestelling.

Het stuk is wisselend ontvangen. Er is kritiek op de teksten die aandoen als therapietaal („kun je je voorstellen hoe het is als mensen je niet mogen, zonder dat ze je kennen?”). De personages zijn beneveld door hun zelf-obsessie, klaagt de Financial Times. De maniertjes die een overgangsrite moeten aanduiden, doen gemaakt aan, zegt The New York Times. En The Wall Street Journal noemt het stuk ,,lichtzinnig, pretentieus en heel goed gemaakt – succes gegarandeerd”.

‘All that I will ever be’, New York Theatre Workshop, www.nytw.org, +1-212-279-4200. T/m 11 maart.