Clovis was niet de eerste indiaan

Toen aan het einde van de laatste ijstijd groepjes mensen via de Beringstraat naar Amerika kwamen, was het continent waarschijnlijk al bewoond. Een veertig jaar oude theorie wankelt.

Clovis-speerpunten. (Foto Science)

Wat archeologen veertig jaar beschouwden als de waarheid over de eerste mensen in Amerika, staat op losse schroeven. De jagerscultuur die zij voor de oudste in de Nieuwe Wereld hielden, blijkt jonger dan lang werd aangenomen en in het diepe zuiden van Amerika woonden toen ook al mensen.

In 1964 schreef de archeoloog C. Vance Haynes in Science wat collega’s al vermoedden. Zo’n 13.000 jaar geleden ontstond een doorgang tussen de twee ijskappen die Noord-Amerika bedekten. Via een landbrug over wat nu de Beringstraat is en door deze ijsvrije Canadese corridor zouden zo’n 11.500 jaar geleden de eerste mensen vanuit Azië Amerika zijn binnengetrokken. Ze liepen naar het zuiden en verspreidden zich over heel Noord-Amerika.

Deze jagers ontwikkelden in de Nieuwe Wereld een eigen cultuur. Naar een gehucht in New Mexico, waar in 1928 voor het eerst hun sporen werden gevonden – speerpunten tussen mammoetbotten – kreeg die cultuur de naam Clovis. Sindsdien zijn op ruim twintig plaatsen, verspreid over de Verenigde Staten, soortgelijke vondsten gedaan. De Clovismensen en hun nakomelingen, zo luidde lang het algemene oordeel, drongen in duizend jaar door tot de zuidpunt van Zuid-Amerika en maakten onderweg korte metten met mammoets en mastodonten. Iedere indiaan op het westelijk halfrond zou van hen afstammen.

Een artikel van 23 februari, opnieuw in Science, zet deze theorie op losse schroeven. Antropoloog Michael Waters van de Texas A&M University en Thomas Stafford van de Stafford Research Laboratories in Colorado publiceerden vorige week de resultaten van nauwkeurige C14-metingen aan Clovis-artefacten, met een foutmarge van plus of minus dertig jaar. De foutmarge van eerdere dateringen beliep 250 jaar. Het tweetal stelde vast dat de Cloviscultuur 11.050 geleden ontstond, 450 jaar later dan lang werd aangenomen. 10.800 jaar geleden, een eeuw later dat tot nu toe werd vermoed, kwam er een einde aan.

Archeologen spreken van de Clovis-cultuur, maar die is alleen geïdentificeerd aan de hand van haar technologie. Deze heeft herkenbare voorlopers in de Oude Wereld, maar de typische gegroefde, lancetvormige speerpunten ontstonden waarschijnlijk in de Nieuwe Wereld, bezuiden de continentale ijskappen. De Clovismensen joegen op groot wild en gebruikten steen, been en ivoor om werktuigen te maken: de beroemde speerpunten, schrapers voor het schoonmaken van dierenhuiden, priemen en bijlen. Om projectielpunten te maken gebruikten ze ook ivoor van mammoets en mastodonten.

De metingen van Waters en Stafford aan veertien organische vondsten, zoals benen en ivoren werktuigen en zaden, brachten de levensduur van de Cloviscultuur terug tot tweehonderd jaar, tien mensengeneraties. Enkele archeologische vindplaatsen in Zuid-Amerika, die volgens Waters en Stafford accuraat gedateerd zijn, blijken even oud als Clovis: drie in Argentinië (10.960 jaar oud) en één in Chili (11.000 jaar). Deze mensen en het Clovisvolk waren tijdgenoten. Waters en Stafford: „Het zou de eerste Paleo-Amerikanen en hun nakomelingen zeshonderd tot duizend jaar hebben gekost om over land te reizen van de zuidgrens van de ijsvrije corridor tot aan Vuurland, een afstand van 14.000 kilometer.”

Toch verstreken tussen Clovis en de goed gedateerde locaties in het zuiden van Zuid-Amerika maximaal driehonderd tot driehonderdvijftig jaar, en minimaal slechts tweehonderd jaar. Waters en Stafford: „Het is hoogst onwaarschijnlijk dat binnen achttien tot twintig generaties mensen Noord-Amerika introkken, zich achtereenvolgens aanpasten aan zulke verschillende milieus als toendra’s, grasland, woestijnen en regenwouden en tenslotte de zuidpunt van Amerika bereikten.”

Intussen groeit het bewijsmateriaal voor menselijke bewoning van Amerika vóór Clovis. In Wisconsin zijn werktuigen en resten van gedode mammoets gevonden die dateren van 12.500 jaar geleden. Er lijken rond die tijd ook al mensen te hebben gewoond in Monte Verde, Chili. Waters in een interview met de krant New West: „Archeologische gegevens laten zien dat Mr. Clovis niet de oudste bewoner van Amerika was en dat het continent niet in één golf werd bevolkt.”

Op zeven Clovislocaties zijn resten gevonden van mammoets en mastodonten. Zij waren een bron van voedsel en leverden de grondstoffen voor werktuigen en kleding. De laatst gedateerde mammoet die in de VS is gevonden, was 10.900 jaar oud. De verdwijning van grote slurfdieren valt samen met de bloeitijd van Clovis. Hebben Clovisjagers een fatale slachting aangericht onder deze dieren, zoals lang is beweerd?

Waters: „Veel Pleistocene zoogdieren waren al uitgestorven voordat Clovismensen opdoken in Amerika. Er waren toen slinkende kudden mammoets en mastodonten. Het staat wel vast dat Clovismensen op deze dieren hebben gejaagd, maar het was geen Blitzkrieg die tot hun uitroeiing leidde.”