‘Zonder geschiedenis besta je niet’

Historica Marjan Schwegman, per 1 maart directeur van het NIOD, geldt niet alleen als een ervaren onderzoekster, maar ook als een people’s manager. „Ze maakt carrière zonder kabaal, dat is haar kracht.”

Oorlogsgeschiedenis gaat volgens Marjan Schwegman verder dan de Tweede Wereldoorlog. Onder haar leiding zal het onderzoeksterrein van het NIOD zeker verbreden. Foto Riccardo de Luca/Iberpress ROME, ITALY: Koninklijk Nederlands Instituut headquarters in Rome. PHOTOGRAPH PROVIDED BY IBERPRESS +390670496984 www.iber-press.com ©Riccardo De Luca/IBERPRESS

Amsterdam, 1995. Marjan Schwegman is op een verjaardagsfeest van een vriendin. De avond kabbelt voort tot het gesprek op verkrachtingen van vrouwen in oorlogsgebieden komt, op dat moment een actueel thema in de Balkanoorlog. De vlam slaat in de pan. Sommige aanwezigen vinden seksueel geweld tegen vrouwen de ergste vorm van geweld die er bestaat. Anderen vinden het verdriet om gesneuvelde mannen net zo erg als het leed om verkrachte vrouwen. De avond eindigt in mineur.

Kort daarop stelt Schwegman de kwestie in het Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis aan de orde. Waarom wordt het lijden van mannen makkelijker onderdeel van collectieve herinnering dan het lijden van vrouwen? Ze pleit voor meer begrip in het onderzoek: „Als we met onze geschiedschrijving willen voorkomen dat de ene oorlogservaring de andere geweld aandoet, dan is een eerste stap de erkenning van de rijkdom van die ervaringen.” Ze hoopt dat het artikel bijdraagt aan „nieuwe, complexe oorlogsgeschiedenissen.”

Deze anekdote typeert Marjan Schwegman, vanaf donderdag 1 maart de nieuwe directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD). Oorlog en vrouwengeschiedenis zijn twee constanten in haar werk. Karakteristiek is ook de manier waarop Schwegman pleit voor een andere kijk op die geschiedenis. Niet door van de daken te schreeuwen dat er meer aandacht moet komen voor het vrouwelijke perspectief, maar door juist de rijkdom van ervaringen voorop te stellen. Oorlogsgeschiedenis is bij Schwegman geen zwart-wit verhaal zoals dat onder wijlen NIOD-directeur Loe de Jong nog het geval was, maar een complex verhaal met veel grijstinten.

Uit de interviews die ze afgelopen maanden gaf, blijkt dat Schwegman door zal gaan op het pad dat het NIOD onder haar voorganger Hans Blom is ingeslagen. Vergelijkende geschiedenis tussen nationale verwerkingsprocessen van oorlogsleed blijft belangrijk. Dat geldt ook voor de verbreding van het onderzoeksterrein, waarvan het Srebrenica-rapport (2002) het spectaculairste voorbeeld is. Nieuwer zijn het Italiaanse perspectief dat ze inbrengt en de beeldvorming rond daderschap (waarom hadden bepaalde NSB’ers zo’n aantrekkingskracht?) of de invloed van emotie en liefde in de status van oorlogshelden. Zelf heeft ze dit laatste thema onderzocht voor vrijheidsstrijders als Giuseppe Garibaldi en Simón Bolívar.

Bij collega’s staat Schwegman bekend als pragmatisch, rustig en integer. Haar kracht, zegt emeritus hoogleraar geschiedenis Maarten Brands, is dat ze carrière heeft gemaakt „zonder veel kabaal”. Ze kan goed luisteren en heeft gevoel voor menselijke verhoudingen. In de mannenwereld van de Universiteit Utrecht was Schwegman volgens een collega daar al snel ‘one of the boys’.

Schwegman kent de Tweede Wereldoorlog alleen uit verhalen – ze is geboren in 1951. Ze groeide op in Middenmeer, in de kop van Noord-Holland. Haar vader trok er vanuit Rotterdam naar toe om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Het ouderlijk huis van haar moeder, in kunstenaarsdorp Blaricum, herbergde joodse onderduikers. Schwegmans belangstelling voor oorlog en de rol van vrouwen daarin dateert uit de jaren zeventig, toen ze geschiedenis met Italiaans als bijvak studeerde in Amsterdam. Haar scriptie Het stille verzet handelt over vrouwen in de illegaliteit. Hans Blom was een van de meelezers. De Socialistiese Uitgeverij Amsterdam bracht dit cum laude bekroonde werkstuk in 1980 uit.

Typerend voor Schwegman is haar betrokkenheid bij haar werk en collega’s. Dat bleek al tijdens haar studie. Ze nam de opvang van eerstejaars geschiedenis op zich, organiseerde feesten in de bouwkeet achter haar studentenflat en speelde de rol van een varken in een cabaretvoorstelling over vegetarisme. Schwegman heeft lang getwijfeld of ze geschiedenis zou gaan studeren. Antropologie, sociologie en filosofie leken haar ook interessant. Doorslaggevend was de kennismaking met het Amsterdamse historisch seminarium, in 1971. Schwegman: „Er hing daar een heel speciale sfeer, met veel beginnende docenten.” Zoals Hans Blom en ook Jaap Talsma, die haar levenspartner zou worden.

Schwegman was een laatbloeier, vertelt haar jeugdvriendin van het Alkmaarse Murmellius Gymnasium, Joske Reeser. Ze zaten op school tijdens de woelige jaren zestig, de tijden van Hitweek, Provo en het protest tegen de oorlog in Vietnam. Reeser: „We vonden onszelf een beetje rebels. We waren helemaal niet artistiek maar dachten van wel.” Schwegman liep rond in vale spijkerbroeken, T-shirt en een lang overhemd. Ze hield niet van de Beatles of de Stones, maar van bluesgitarist John Mayall. Voor het mondeling eindexamen geschiedenis haalde ze een tien. „Zeer uitzonderlijk”, aldus Maarten Brands, destijds als gecommitteerde bij het examen aanwezig. „Ik was zuinig met zulke beoordelingen maar dit was gewoon heel goed.” Als beste leerling hield Schwegman bij de afsluiting van het eindexamenjaar een oratie.

Haar carrière kan worden getypeerd met één term: dynamiek. Na de studie volgden binnen het tijdsbestek van tien jaar aanstellingen in Amsterdam, Leiden, wederom Amsterdam, Maastricht en Utrecht. In tegenstelling tot de meeste historici van haar generatie is Schwegman een echte jobhopper. Ze zegt niet aan carrièreplanning te doen: „Ik heb geen masterplan gehad. Wel wensen en verlangens. Al doende kwam er altijd een richting.” In haar pogingen hogerop te komen nam ze risico’s. Een vaste aanstelling in Leiden verruilde ze in 1989 voor een tijdelijke postdoc-plaats in Amsterdam. Oud-collega Rob van der Laarse: „Ze had makkelijk haar tijd bij een van de vakgroepen kunnen uitzitten. Maar ze kiest altijd voor de lastige weg.”

Soms gokte ze verkeerd. In 1993 ging Schwegman naar Maastricht omdat ze daar hoofddocent kon worden. Maar ze voelde zich er niet op haar plek. Door de week bivakkeerde ze in een caravan, in de weekenden zat ze thuis in Alkmaar. Ze hield vol in de verwachting dat Maastricht een tussenstop zou zijn. Uiteindelijk werd ze in 1997 bijzonder hoogleraar vrouwengeschiedenis in Utrecht, twee jaar later gecombineerd met een aanstelling als hoofddocent politieke geschiedenis aan dezelfde universiteit.

Schwegman kiest duidelijk voor haar eigen verlangens en weet die ook goed te behartigen. Dat valt niet overal even goed. Het oordeel van Guido de Bruin (politieke geschiedenis, Utrecht) is gemengd: „Zeker, ze laat iedereen in zijn waarde en is toegankelijk. Maar ze is ook een zeer handige tante die goed kan netwerken en manipuleren.” Over haar vertrek vanuit Utrecht naar het Nederlands Instituut in Rome in 2003 zegt hij: „Dat was niet al te netjes. Ze heeft de afdeling in de steek gelaten.” De Bruin neemt het haar niet kwalijk: „Iedereen volgt zijn eigen belang.”

Ook binnen vrouwenstudies voer Schwegman op haar eigen kompas. Haar belangstelling voor dit vakgebied werd gewekt tijdens haar studie: „Alles wat onder de noemer algemene geschiedenis werd gepresenteerd was in feite mannengeschiedenis. Ik vond het een eye-opener dat ook vrouwen een geschiedenis hadden.” Door aandacht te besteden aan vrouwengeschiedenis was ze zelf ook, als vrouw, aanwezig in de maatschappij. „Als je geen geschiedenis hebt dan besta je niet” zei ze in 1993 in een interview. Vandaar ook haar fascinatie voor beeld- en mythevorming en de ‘verknoping’ van publiek en privé bij persoonlijkheden.

Zoek achter Schwegman geen felle feministe of een marxistisch geïnspireerde activiste. Rob van der Laarse: „Vrouwenstudies was voor haar meer een bron waar ze uit putte.” Ze streefde ernaar het vrouwenperspectief te integreren in de bestaande geschiedenis. Als pragmatisch pleitbezorgster van een vakgebied, door veel mannelijke historici lange tijd met scepsis bekeken, bleek Schwegman de ideale partner van de gevestigde orde. „Je krijgt met haar geen gedonder. Ze gaat niet door roeien en ruiten om vrouwengeschiedenis erdoor te drukken. Gezien vanuit de heren is het wel prettig zo iemand erbij te hebben”, aldus Ulla Jansz, oud-mederedactielid van het Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis.

In 1996 trad Schwegman toe tot de commissie-Kossmann die adviseerde over de nieuwe koers van het NIOD (toen nog RIOD). De onder Hans Blom ingezette verbreding zal ze nu zelf verder doorvoeren.

De afgelopen jaren heeft Schwegman haar managementkant steviger ontwikkeld. Aanvankelijk maakte ze vooral naam als onderzoeker. Na haar promotie in 1989 op een biografie van de Italiaanse feministe Gualberta Beccari volgden biografieën van exemplarische vrouwen. De levensbeschrijving van Maria Montessori (1999) werd alom geprezen en vertaald in het Duits en Italiaans. Vervolgens ging ze aan de slag met Marga Klompé. Maar het privéleven van de eerste Nederlandse vrouwelijke minister bleek ondoordringbaar. Schwegman kreeg er geen grip op. Ze gaf de opdracht in 2001 terug. Een moeilijk besluit waarmee ze, zegt ze nu, eigenlijk te lang heeft gewacht. In zekere zin is dit mislukte project ook te beschouwen als een bezinningsmoment in haar carrière. De rol van biografe verruilde ze voor die van directeur.

Vanaf 2003 leidde ze het Koninklijk Nederlands Instituut in Rome (KNIR) en dan nu, vanaf 1 maart, het NIOD. Van der Laarse begrijpt deze keuzes, maar betreurt ze wel: „Ze kiest nu voor de bestuurdersrol. Dat had ik niet verwacht van iemand die intrinsiek geïnteresseerd is. De intellectuele ontwikkeling blijft achter bij haar ontwikkeling als bestuurder en dat is een verlies.”

Hoewel ze voortijdig bij het KNIR vertrekt, na vier jaar in plaats van de gebruikelijke vijf, zijn de medewerkers vol lof over Schwegman. Voormalig staflid Nathalie de Haan: „Ze gaf bezielend en daadkrachtig leiding. Zij nam de beslissingen en droeg daarvoor verantwoordelijkheid.” Ze slechtte de schotten tussen de afdelingen archeologie, geschiedenis en kunstgeschiedenis. Dat ze naast een ervaren onderzoekster ook een people’s manager is, bleek bij het honderdjarig bestaan van het instituut, in 2004. Koningin Beatrix woonde de receptie bij. „Schwegman sprak niet alleen met de koningin en met hotemetoten, maar ook met de medewerkers en studenten”, aldus de Haan. En ze zag er op toe dat iedereen, de Nederlandse staf en de Italiaanse medewerkers, een praatje kon maken met de koningin.

Niet alles is gelukt in Rome. De Haan: „De Italiaanse bureaucratie en wetgeving waren grenzen waar ze tegenaan liep. Dat soort lijnen bleken heel taai.” Schwegman erkent hier veel van te hebben opgestoken. Hetzelfde geldt voor haar werk als directeur: „Ik zie mezelf als iemand die in de organisatie staat. Een ‘manusje van alles’. Alsof ik een ingewikkeld huishouden bestier.”