Het nieuwe leren maakt gelukkig

In Nederland zijn tieners gelukkiger dan in alle andere geïndustrialiseerde landen, zo bleek uit een onderzoek van UNICEF, dat onlangs gepubliceerd werd. Tegelijkertijd vroeg een SIRE-campagne aandacht voor verwaarlozing van kinderen en ging de discussie over teloorgang van het onderwijs onverminderd voort. Hoe valt dat te rijmen?

Die conclusie van UNICEF is gebaseerd op een enquête onder 11- tot 15-jarige schoolkinderen in 21 landen. De vragenlijsten werden in de klas ingevuld onder toezicht van een professionele enquêteur. Een van de vragen luidde : „Hier is een plaatje van een ladder. De bovenste tree (10) is het best mogelijke leven dat je kunt hebben en de onderste tree (0) het slechts mogelijke leven. Op welke trede van die ladder zou je je eigen leven van dit moment plaatsen? Zet een kruisje bij het getal dat het best overeenkomt met je gevoel over je leven in het algemeen”. Het rapport vermeldt alleen het percentage tieners dat die vraag beantwoordt met een cijfer van 6 of hoger. In Nederland is dat niet minder dan 95 procent en het gemiddelde zal waarschijnlijk rond de 8 liggen. Dat is geen verrassing, want uit verschillende andere enquêtes onder Nederlandse tieners is het zelfde beeld naar voren gekomen.

Dat Nederlandse tieners overwegend gelukkig zijn is niet zo vreemd. Ze wonen in een leefbaar land waarin ook volwassenen goed gedijen. Nederlandse volwassenen scoren ongeveer even hoog op de geluksladder. Het geluk van ouders straalt ook af op kinderen, zoals onderzoek heeft aangetoond. Een van de mechanismen is dat geluk ouders aardiger en energieker maakt. Verder zijn er in deze generatie nauwelijks nog ongewenste kinderen. Dat was wel anders toen pil en abortus nog niet beschikbaar waren.

Toch horen we meer over wat er allemaal mis is met de situatie van tieners in Nederland, zoals gebrek aan mogelijkheid om buiten te spelen, stressende ouders, falende jeugdzorg en teloorgang van het voortgezet onderwijs. Is dat dan allemaal onzin? Ik denk van niet. Dat onze tieners zo gelukkig zijn komt deels ook doordat we ons zo druk maken over hun welzijn. Bij gezondheidszorg doet zich het zelfde voor: een gestage stijging van de gezonde levensduur tegen de achtergrond van aanhoudend gejammer over gezondheidsrisico’s.

Toch is terughoudendheid op zijn plaats, vooral in de discussie over de vermeende mislukking van vernieuwingen in het onderwijs. Een van de redenen voor de hervormingen was om het onderwijs aantrekkelijker te maken voor leerlingen, onder andere door meer variatie in opdrachten en onderwijsvormen en betere aansluiting bij hun belevingswereld. Het feit dat tieners zo gelukkig zijn duidt erop dat dit aardig gelukt is.

Het is de vraag of het intellectuele niveau daaronder geleden heeft en zelf als dat het geval zou zijn is het goed om te bedenken dat er is meer in het leven dan CITO-scores. We brengen nu al bijna een kwart van ons leven door in schoolbanken door. We zitten daar niet alleen om staartdelingen te leren, maar ook om een goede tijd te hebben en uit te groeien tot gelukkige mensen. Het maatschappelijk rendement van geluk moet ook niet onderschat worden. Gelukkige mensen zijn typisch betere burgers. Het is een misvatting te denken dat we van meer schoolkennis gelukkiger worden. Er blijkt geen verband tussen geluk en IQ, niet binnen landen en niet tussen landen. Het zou dan goed zijn als scholen ook worden afgerekend op hun bijdrage aan het geluk van leerlingen.

Uit het UNICEF-onderzoek blijkt ook dat Nederlandse tieners gemiddeld gelukkiger zijn dan in vergelijkbare westerse landen. In Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk ligt het percentage gelukkige tieners zo'n 10% lager. Het is niet duidelijk waar hem dat in zit.

Eén van de genoemde oorzaken sluit aan op het zojuist besproken schoolsysteem. Britse en Franse tieners zouden minder gelukkig zijn omdat scholen er traditioneler zijn en leerlingen minder ruimte laten. Die verklaring wordt bevestigd in het feit dat tieners in die landen ook minder vaak zeggen school leuk te vinden.

Er is ook geopperd dat het aantal werkende moeders een rol speelt. In Nederland is dat percentage aanmerkelijk lager dan in omringende landen en vooral als de kinderen nog jong zijn. Nadere analyse toont inderdaad enig statistisch verband, maar kan het verschil niet volledig verklaren. Er zijn ook wel enige steun voor verklaringen die het verschil zoeken in armoede en gezondheidszorg.

Waarschijnlijk speelt er een complex van factoren. Het UNICEF rapport verschaft daarover helaas geen helderheid. Het rapport laat zien dat het welbevinden van tieners aanzienlijk verschilt tussen landen, maar vertelt niet waarom. Het is zaak dat goed uit te zoeken voor we maatregelen gaan nemen die de voorsprong van Nederland teniet kunnen doen.

Ruut Veenhoven is hoogleraar sociale condities voor menselijk geluk aan de Erasmus Universiteit.