Goochelarij

Twee jaar geleden verscheen ‘Everything Bad is Good for You’ van de Amerikaanse socioloog Steven Johnson, waarin hij betoogde dat onze jongeren die zo druk zijn met computergames en vele uren verkwisten aan televisie, niet dommer worden, zoals men normaal denkt (u kent het wel: ga toch een goed boek lezen!), maar juist slimmer. Ze kunnen complexere verhaallijnen aan, ze kunnen hypothesen stellen, mogelijkheden testen, meerdere lagen onderscheiden en grote hoeveelheden informatie sneller verwerken.

Als u het boek niet heeft gelezen gelooft u er natuurlijk niks van, maar vergelijk nu eens vroegere televisieseries als ‘Bonanza’ of ‘Starsky and Hutch’, met moderne series als ‘The Sopranos’ of ‘Ally McBeal’. Alleen al de scenario’s van de huidige series zijn meer dan tien keer zo lang, tien keer zo vol en honderd keer zo snel.

Laatst zag ik ‘The Prestige’ van Christopher Nolan, de man van eigenaardige en beklemmende films als ‘Memento’ en ‘Insomnia’. Ik was samen met mijn zoon van zestien, die een groot liefhebber is van plots die almaar ingewikkelder en misschien zelfs onwaarschijnlijker worden. Gelukkig was hij erbij en kon hij mij al fluisterend uitleggen wat er gebeurde, anders had ik de vele flashforwards en flashbacks nooit kunnen ontcijferen en ik dacht: die Steven Johnson kon weleens gelijk hebben.

‘The Prestige’ gaat over twee jonge goochelaars Alfred (die als toneelnaam ‘The Professor’ voert, gespeeld door Christian Bale) en Algier (‘The great Danton’, Hugh Jackman). De twee opereren eerst samen, maar na een fataal ongeluk tijdens een van de trucs worden ze verbitterde tegenstanders die elkaar naar het leven staan en elkaars goochelgeheimen op de meest gemene wijze proberen te ontfutselen.

Meer kan ik niet verklappen – Christopher Nolan toont aan dat film zelf een goocheltruc is met tijd en beeld – maar het is niet de plot die mij interesseert. Het zijn de lessen van leermeester Cutter, magistraal gespeeld door Michael Caine, over wat goochelen precies inhoudt.

Het creëren van de illusie, het spel met het publiek, de kunst van het afleiden en de regels van de goochelkunst in het algemeen: een vogeltje laten verdwijnen is de kunst niet, de kunst is om het vogeltje terug te toveren, ook al is het een ander vogeltje.

Maar het publiek ziet dat niet en wil dat ook niet zien, het publiek wil de schok vasthouden, in de illusie blijven geloven. En anders vinden ze het ook wel leuk als er iets misgaat en iemand op het podium verongelukt. Maar je moet ze in ieder geval de adem benemen.

Eigenlijk zit hierin de kern van alle fictie, van elk goed boek, heilig of werelds, koran, bijbel, Salman Rushdie of Harry Potter: we willen geloven in tovenarij, er moet meer zijn tussen hemel en aarde.

Wat zou het leven zijn zonder magie? Wat we liefde noemen, of verliefdheid, wat is dat anders dan een vorm van zinsbegoocheling? Verliefde mensen willen ook altijd goochelen, als je de liefdesverhalen moet geloven. Ze willen plotseling voor je opduiken, ze zeggen dat ze niet komen en dan komen ze wel, of omgekeerd, als je pech hebt. Ze halen plotseling een bos bloemen tevoorschijn of stoppen stiekem een gouden ring in je glas, als je geluk hebt. Alle liefde is een verlangen naar magie en kinderen leren dat kennen via de goochelaars, die ze voor het eerst meemaken, op kermissen en scholen.

De goochelaar uit mijn jeugd noemde zich Professor Henry. Iedereen die in Suriname is opgegroeid heeft hem gekend, maar ja, hoe goed kun je een illusionist eigenlijk kennen? Drie decennia lang trok hij van school naar school, in de stad en op het platteland, met zijn koffer vol spullen die hij nodig had voor zijn trucjes. Gekleurd papier dat eerst versnipperd wordt en dan in een lang lint tevoorschijn komt, verdwijnende ballen, glazen die maar niet vol raken.

Eenvoudige goocheltrucs eigenlijk, maar we vonden het schitterend. Voor een bezoek op school kreeg hij naar ik hoor twaalf Surinaamse guldens, in die tijd zo’n tien euro waard, maar hij kon maar een school tegelijk aandoen, omdat de afstanden zo groot waren en hij niet beschikte over vervoer. Hij kwam gewoon aanlopen met die wonderlijke koffer.

Als hij niet genoeg werk had op de scholen, trad hij gewoon op op hoeken van straten en ging hij daarna met zijn hoed langs.

Professor Henry was wereldberoemd in Suriname en toch weet niemand hoe hij er precies uitzag. Hij was heel licht van kleur, daar is men het over eens, een nazaat van de blanken in Suriname. Maar had hij donker krullend haar of was hij kaal? Of is hij halverwege die drie decennia kaal geworden? Was hij lang, zoals ik het me als kind herinner, of van normaal postuur, zoals de generatie van mijn vader vertelt?

Het is wrang om te zeggen, maar het valt te onderzoeken. Er zijn advertenties in de kranten van Paramaribo verschenen met een oproep aan familieleden die zijn dode lichaam willen ophalen. Professor Henry ligt namelijk al sinds oktober vorig jaar in het lijkenhuis van Paramaribo. En nu, een half jaar later, heeft niemand zich nog gemeld.

Een goochelaar is een artiest, een clown, en die zijn natuurlijk eenzaam, die hebben geen normaal familieleven en geen normaal beroep. Maar zo eenzaam? Het is wrang, maar het is op een rare manier ook romantisch, de goochelaar die zichzelf weggoochelt in het mortuarium en nu op ijs ligt en wacht tot men zijn laatste truc heeft bewonderd: daar is hij, maar nu als lijk. En toch: zo romantisch wil ik het leven niet hebben.

ramdas@nrc.nl