De vijand

De trainer is de ware vedette van het topvoetbal geworden. Hoe minder er op het veld gebeurt, hoe belangrijker zijn rol. Hij zal na afloop wel even uitleggen waarom er zo weinig gebeurde. Bepaalde tactische ingrepen waren nodig geweest, we hadden toch wel gezien dat zijn ploeg daardoor overeind was gebleven? Wat zeurden we dan nog? Geen leuke wedstrijd gezien? Dat kwam doordat wij er geen verstand van hadden.

Gisteren heb ik me door weer en wind naar Alkmaar gerept voor wat een van de aardigste wedstrijden van het voetbalseizoen leek te worden: AZ-Ajax. Dicht tegen de rand van Alkmaar heeft Dirk Scheringa een knus stadion gebouwd dat hij naar zijn DSB Bank heeft genoemd, want voetbal is geld geworden en geld voetbal. Voor kunst geldt trouwens hetzelfde, en Scheringa was daarom zo consequent zijn museum in Spanbroek naar zichzelf te noemen.

De wedstrijd. Wordt het dé wedstrijd? Nee. Ik zie anderhalf uur lang twee superieure verdedigingen die de aanvallers in de tang houden. Arveladze, Huntelaar? Niet gezien. Jaap Stam, een verdediger, is de beste man van het veld. Maar dat wil ik helemaal niet, ik wil Jenner, Dembélé en Babel zien uitblinken. Louis van Gaal houdt een van zijn creatiefste spelers, Maarten Martens, buiten het basiselftal, want hij had al genoeg creatieve spelers, zei hij. Waar waren die dan?

Maar wat klaag ik nou? Klagen mogen alleen toptrainers. Daar zitten ze samen op het podium voor de persconferentie na afloop. De stemming is om te snijden – met een dolk liefst. Gezichten als donderwolken, gereed om zich te ontlasten. Henk ten Cate, trainer van Ajax, kijkt alsof hij er ogenblikkelijk uit zou willen stappen, uit het hele leven misschien wel, maar in ieder geval uit het trainerschap. Zijn stem is hees en laag en bevat veel sluimerende agressie die elk moment naar buiten kan breken.

Met zijn slepende Amsterdamse accent kankert hij verbitterd op de scheidsrechter. Op de vragen van de journalisten gaat hij niet diep in: ik heb gesegd wat ik wilde seggen en hierbij wil ik het laten. Het journaille knikt en begrijpt dat het Henk in zijn kokende vet moet laten sissen. Hij zou wel eens het podium kunnen afdalen om alles wat hier los en vast zit aan stukken te gooien.

Henk slurpt zijn koffie verbeten op en zijn collega Louis van Gaal neemt het woord. Hij komt vrijwel onmiddellijk in aanvaring met iemand die hij als een aartsvijand lijkt te beschouwen: Frits Barend. Diens vraag was scherp, maar ter zake geweest: kon of wilde Van Gaal het incident niet zien waarover Ten Cate zo boos was geweest?

Het gezicht van Van Gaal kleurt rood, hij voelt zich tot in zijn ziel beledigd en hij zal deze onbeschaamde vragensteller voorgoed zijn plaats wijzen. Als iemand aan zijn woorden twijfelt, zegt dat alles over de ánder, en niet over hem. Toch twijfel ik, zegt Barend. Van Gaal begint te honen: wordt dit soms een onemanshow van Barend?

Van Gaal en Ten Cate, twee woedende mannen op een podium. Geen spoor van zelfspot, iedere vorm van relativering is hun vreemd. Hun vreugdeloosheid krijgt hilarische trekken, zonder dat ze het beseffen. Ze verdienen kapitalen met hun jongensdroom, spelen op een veldje, maar ze kunnen er niet van genieten. Overal loert de vijand, vermomd als bal of mens.