Dat klopt, en dat ís het ook

Als een inbreker een tv of kassa oppakt, is al sprake van een onmiddellijke dreiging.

Het voorstel van Teeven is dan ook symboolwetgeving.

Een man zit met twee jongens in een bus. Eén van de jongens gooit friet uit de bus, via een openstaand dakluik. De man spreekt de jongen daarop aan. Dat valt niet in goede aarde. De jongen gooit een frietje in de richting van de man. Vervolgens bedreigen de jongens de man. Als één van de jongens vervolgens dreigend op de man afloopt, staat deze op en deelt een vuistslag uit.

Hij wordt vervolgd voor mishandeling. Na een lange procedure vindt hij gehoor bij de rechter: zijn beroep op noodweer wordt geaccepteerd, ook al was er tegen de man nog geen geweld gebruikt. Ook tegen de onmiddellijke dreiging van een zoals dat in de wet heet ‘ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding’ mag de burger zich dus verdedigen.

Ook de Hoge Raad gaf in een uitspraak op 11 juni 2002 aan dat ‘onmiddellijke dreiging’ een rechtvaardiging van noodweer is. Fred Teeven had dus kunnen weten dat een wetswijziging in dit opzicht niet nodig is. De Hoge Raad heeft immers in dit arrest, en ook in andere uitspraken, al duidelijk gemaakt dat het recht luidt zoals Teeven wil dat het luidt.

Het voorstel van Teeven gaat verder. De bewijslast moet naar zijn oordeel worden omgedraaid als de aangevallen persoon zich in zijn woning of winkel bevindt en zich daar moet verdedigen tegen een indringer. Het is mij niet helemaal duidelijk wat de strekking van Teevens voorstel in dit verband is. De aanwezigheid van een inbreker of een overvaller is namelijk ook nu al voldoende om duidelijk te maken dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Niet alleen (de dreiging van) geweld tegen de bewoner of de winkelier, maar ook bijvoorbeeld het oppakken van de televisie in de woning of het legen van de kassa in de winkel leidt tot een noodweersituatie.

In artikel 41 van het wetboek van strafrecht staat immers dat men zich ook mag verdedigen tegen de aantasting van een ‘goed’. Als Teeven daarin wil voorzien, kan hij opnieuw gerust worden gesteld: er staat al in de wet, wat daarin volgens hem moet staan.

Zodra aannemelijk is dat van een inbraak of overval sprake is, gaat het bij de beoordeling van het beroep op noodweer om andere vragen. Die richten zich op de noodzaak en op de proportionaliteit van de reactie: is de verdediging geboden ter noodzakelijke verdediging tegen de inbreker of overvaller? Met andere woorden, waren er mogelijkheden om de aanval op een andere wijze te pareren? Is degene die een beroep doet op noodweer niet verder gegaan dan nodig was?

Dat soort vragen wordt gesteld, om escalatie van geweld te voorkomen. De diefstal van een dropje rechtvaardigt geen vuurwapengeweld door een winkelier. Als ik het goed begrijp, is Teeven dat met mij – en belangrijker: met de wetgever en de rechters – eens. Zijn voorstel is niet om daarin verandering te brengen.

Maar dan kan de conclusie geen andere zijn dan dat het voorstel van Teeven geen toegevoegde waarde heeft. Beide onderdelen van dat voorstel zijn al hecht verankerd in de wet en in de jurisprudentie. Op symboolwetgeving zit niemand niet te wachten. Voor de echt moeilijke vragen biedt Teevens initiatief daarentegen geen oplossing. Dat kan op wetgevend niveau ook eigenlijk niet.

Immers, de vraag of de verdediging noodzakelijk en proportioneel is, laat zich niet in algemene zin beantwoorden. Daarvoor hangt te veel af van de concrete feiten en omstandigheden. Die vereisen een uiterst zorgvuldige toetsing. In het algemeen wordt onderkend dat de Hoge Raad de laatste jaren minder terughoudend is en sneller meent dat een beroep op noodweer ten onrechte door de rechter is afgewezen. De eerzame burger en winkelier behoeven dus niet te vrezen dat zij zonder Teevens voorstel in de kou blijven staan.

Stijn Franken is hoogleraar strafrecht aan Universiteit Utrecht en advocaat te Amsterdam.

De uitspraak van de Hoge Raad is te vinden op hogeraad.nl