Zet niet alles op gemeenschapszin – vergeet de bevrijding van het individu niet gezinsvriendelijk

De coalitiepartners maken een fout door te concluderen dat juist vanwege de voortgaande individualisering het aanzetten tot saamhorigheid en gemeenschapszin de hoogste prioriteit heeft.

Dick Pels

Socioloog en publicist. Voorzitter van de links-liberale denktank Waterland. Auteur van onder andere ‘Een zwak voor Nederland’.

Houvast bieden in onzekere tijden. Dat was volgens PvdA-Tweede Kamerlid Jet Bussemaker de ‘oorspronkelijke boodschap’ van de haar partij. Zij weet de verkiezingsnederlaag aan het feit dat de partij die boodschap niet goed voor het voetlicht had weten te brengen, noch tegenover de SP noch tegenover het CDA. Maar die ‘hou-me-vast-opvatting’ is een nogal schrale versie van de boodschap van één der oprichters van de PvdA in 1946. Ik doel hier op de ‘rode dominee’ Willem Banning (1903-1971). Hij was de belichaming van de ‘doorbraak’: mensen met een confessionele achtergrond die na de Tweede Wereldoorlog lid werden van de Partij van de Arbeid, waarin onder meer de SDAP opging, de partij waarbinnen Banning ook actief was geweest. Niet zozeer geborgenheid, maar sociale gerechtigheid was voor hem de kern van het democratisch socialisme.

Voor het overige zouden toon en inhoud van het nieuwe regeerakkoord Banning wel zijn bevallen. De mede door hem opgestelde PvdA-beginselprogramma’s van 1947 en 1959 ademden een vorm van communitarisme waarin de persoon zijn bestemming pas vond in de verantwoordelijkheid en dienstbaarheid jegens gezin en (volks)gemeenschap. In 2005 zou hij zich nog in zijn graf hebben omgedraaid toen Wouter Bos de PvdA op sleeptouw nam met een sociaal-liberaal beginselmanifest waarin het vrijheidsideaal een ereplaats kreeg. Banning zou vrijheid nooit als een ‘recht’ en gemeenschap nooit als een ‘keuze’ hebben voorgesteld, zoals dat manifest deed.

De sociaal-individualistische idealen van dit manifest worden in het regeerakkoord zo’n beetje binnenste buiten gekeerd. De breuk met het harde neoliberale marktdenken valt zonder meer toe te juichen. Maar dat in dezelfde beweging ook afstand wordt genomen van het individualisme valt minder te waarderen. Ook Banning beschouwde het liberalisme en het individualisme als synoniemen, en wantrouwde beide. In dit opzicht hebben Balkenende en Rouvoet de ideeënstrijd gewonnen. Net als overigens Marijnissen, die zich succesvol opwerpt als de stadhouder van de sociaal-democratische idealen van de jaren vijftig.

De bangelijke boodschap van ‘houvast bieden in onzekere tijden’ bepaalt in elk geval toon en inhoud van het nieuwe regeerakkoord. We moeten van alles ‘samen’ gaan doen, gedreven door een grote behoefte aan geborgenheid, veiligheid en (nationale) eigenheid. De nadruk ligt op het ontwikkelen van de ‘eigen kracht’ van sociale instituties, minder op die van individuen. Doel is een ‘ongedeelde’ samenleving, die stoelt op een ‘stevige basis van gedeelde waarden en normen’, en die haar kracht en kwaliteit vindt in onderlinge betrokkenheid.

Model hiervoor staan de saamhorigheid en lotsverbondenheid van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, van de klassieke verzorgingsstaat, en het ‘rijke verenigingsleven’ van de verzuiling. Het gezin neemt bij dit alles een speciale plaats in, als de belangrijkste bron van en garantie voor betrokkenheid en gemeenschapszin. Het is ‘van grote waarde’ voor de opvoeding van de kinderen, het bieden van geborgenheid en het overdragen van essentiële waarden en normen. Als ideaal samenlevingsmodel wordt het ook op grotere verbanden geprojecteerd, zoals de nationale gemeenschap die – net als in Fortuyns kritiek op de ‘verweesde’ samenleving – uitgroeit tot een soort gezinsvervangend tehuis.

Toen ik de verkiezingsprogramma’s las, vond ik dat de PvdA met de slogan ‘Kinderen eerst!’ een slimme zet deed: een sociaal-individualistische variant op de gemeenschapsideologie van het CDA. De PvdA neemt het gezin weliswaar serieus, maar verklaart het niet heilig omdat de aandacht vooral uitgaat naar de zwakste personen daarbinnen. Net als in het beginselmanifest sprak de PvdA zich ondubbelzinnig uit voor de positieve, bevrijdende individualisering (‘Wie zich bij zijn of haar emancipatie belemmerd weet door de druk van familie, traditie of religie verdient onvoorwaardelijke steun’). Waar het PvdA-programma de ambitie verwoordde om ‘het beste uit jezelf te halen’, wilde het CDA vooral ‘scholen en zorginstellingen ruimte geven om het beste uit zichzelf te halen’. Maar de kern was dat het CDA koos ‘voor ieder gezin, in welke vorm ook’ (de begeleidende foto toonde echter een witte man met vrouw en kind): ‘Wat goed is voor gezinnen is goed voor Nederland’.

Die gezinsgezindheid spreekt nog duidelijker uit het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie, mede vanwege de religieuze toonzetting ervan: ‘Vanuit de verbondenheid met God zijn we gericht op de verbondenheid met mens en samenleving. Mensen komen tot hun recht in gemeenschap met anderen’. Een stabiel gezinsleven heeft de hoogste prioriteit, het traditionele huwelijk tussen man en vrouw is de norm, en echtscheidingen moeten zoveel mogelijk worden tegengegaan. ‘Alleengaanden’ vormen tegen dit decor een nogal sneue categorie, waarbij eenzaamheid troef lijkt te zijn, en waar we met zijn allen goed voor moeten zorgen.

Maar wat moet een ‘gezinsvriendelijk’ regeerakkoord, waarin bovenstaande opvattingen domineren, met het gegeven dat er op dit ogenblik in Nederland al 2,5 miljoen alleenstaanden zijn, en dat hun aantal in de komende decennia zal stijgen tot 3,5 miljoen? Volgens CBS-prognoses schrijdt de ‘huishoudens-verdunning’ met rasse schreden voort: terwijl eind jaren vijftig nog 1 op de 8 huishoudens alleenstaand was, zijn dat er op dit moment 1 op de 3. Singles vormen daarmee de snelst groeiende bevolkingscategorie. Nu al is ruim 40 procent van de bewoners in de steden alleenstaand; in studentensteden is dat zelfs de helft. In de komende decennia verwacht men ook in de randgemeenten en op het platteland een sterke toename, van minder dan 25 procent nu naar meer dan 30 procent. In 2025 zal naar verwachting alleen nog de gemeente Staphorst minder dan een kwart alleenstaanden tellen. Bij de laatste Kamerverkiezingen stemde in die zwaar christelijke enclave meer dan 30 procent op het CDA, 28 procent op de SGP, 18 procent op de CU, en 7 procent op de PvdA.

De individualisering zet onmiskenbaar door. Jongeren blijven langer ‘alleen’, er is steeds meer sprake van huwelijksuitstel en -afstel, andere leefvormen zoals ongehuwd samenwonen en het geregistreerde partnerschap nemen toe, evenals het aantal echtscheidingen. Ook de vergrijzing telt mee: ouderen blijven vaker en langer zelfstandig, ook na het overlijden van de partner, en gaan bijvoorbeeld steeds meer latrelaties aan. Tot 2050 zal het aantal zelfstandig wonende bejaarden verdubbelen tot 920.000. Ook op de arbeidsmarkt groeit het aantal zelfstandigen: er zijn nu rond de 800.000 geregistreerde zelfstandigen zonder personeel actief, maar het werkelijke aantal freelancers is veel groter. Het merendeel daarvan bevindt zich in een onzichtbare en dus nadelige positie in het vooral collectivistisch georganiseerde belasting-, zorg- en pensioenstelsel.

De coalitiepartners maken een fout door te concluderen dat juist vanwege die voortgaande individualisering het aanzetten tot saamhorigheid en gemeenschapszin de hoogste prioriteit heeft. Niet alle ‘alleengaanden’ zijn zielig en eenzaam. Hoe zit het met de eenzaamheid van de partners binnen slechte en beklemmende huwelijken? Er zijn veel happy singles. Nieuwe, op vrije keuze gebaseerde gemeenschappen worden uitgevonden om zware, lotsbepaalde gemeenschappen te verlichten of te vervangen. Vriendschapsnetwerken worden geïdealiseerd in populaire tv-series zoals Friends en Will & Grace. Zowel het feminisme als de homo-emancipatie vormt de voorhoede van positieve individualisering: van experimenten met nieuwe vormen van vriendschap, liefde en gemeenschap. Urban tribes vormen zich, die bepaalde functies van traditionele families en gezinnen overnemen. Ouderen zoeken naar lossere samenwoonverbanden. ‘Fluwelen’ scheidingen zorgen voor niet-traditionele gezinsstructuren die ook voor kinderen niet per se ongelukkig hoeven uit te vallen.

Deze transformatie van de intieme leefsfeer heeft wel degelijk mankementen (denk aan de precaire situatie van eenoudergezinnen), maar geeft geen aanleiding voor het schrikbeeld van een volledig atomistische of ‘solistische’ samenleving. Juist omdat in de nieuwe gemeenschappen meer vrijheid en onzekerheid zijn ingebouwd, zijn ze voor moderne individuen aantrekkelijker dan ouderwetse ‘geborgen’ gemeenschappen. Ook in economisch opzicht zijn lossere en meer flexibele groepsverbanden voordelig: zij staan meer open voor nieuwe mensen en ideeën, en bevorderen daarmee de creativiteit en innovatie. Individualisme en gemeenschapsvorming staan niet haaks op elkaar, maar individualisme is wel in strijd met de idealisering en verabsolutering van gemeenschappen, inclusief het gezin. Individuele vrijheden worden niet alleen geboren in de schoot van gezin, gemeenschap en traditie, maar moeten ook vaak op deze instituties worden bevochten.

Niet voor niets hebben de grondslagen van de democratische rechtsstaat over het algemeen een individualistische toonzetting en strekking. Vandaar dat grondwettelijke beginselen als de vrijheid van meningsuiting, het discriminatieverbod en de vrijheid van godsdienst een onderlinge spanning vertonen. De democratische rechtsstaat is in dit opzicht niet neutraal maar normatief. Hij verdedigt de individuele vrijheid van levensbeschouwing en levenswijze, ingeperkt door het schadebeginsel en het discriminatieverbod, en legt daarmee het recht op anders denken en anders zijn grondwettelijk vast. De overheid heeft in het recente verleden de individualisering ook bewust in de hand gewerkt, zoals in het onderwijs en het zorgstelsel (bijstand voor alleenstaande vrouwen).

Het is daarom zorgwekkend, zoals ook het commentaar in deze krant van 7 februari verwoordde, dat de nieuwe coalitie „afscheid neemt van het liberale beginsel dat het individu startpunt en eindpunt moet zijn van het overheidshandelen”.

Het regeerakkoord klaagt over een ‘afnemende beleving van gemeenschappelijke normen en waarden’. De veronderstelling luidt dat niet-vrijblijvende gemeenschapswaarden het ‘cement’ van de samenleving vormen. Op zichzelf is daar weinig tegen in te brengen. Maar de vraag luidt wel: hoe dik moet die cementlaag zijn, en zijn gedeelde en publiekelijk vastgestelde normen en waarden het enige cement dat ‘de boel’ bij elkaar houdt?

‘Eenheid in verscheidenheid’ kan ook duiden op prettige verdeeldheid. De toepassing van het harmonie- en gezinsmodel op samenleving en staat leidt gemakkelijk tot een onderschatting van de enerverende maar ook bindende kracht van conflicten, concurrentie en rivaliteit. Het regeerakkoord roemt de ‘sterk innovatieve traditie’ van Nederland en wil het ondernemerschap (zelfs als schoolvak) stimuleren. Maar de nadruk wordt zó sterk gelegd op gemeenschapszin, gedeelde waarden en solidariteit als ‘essentiële kwaliteiten om als nationale gemeenschap kansen te realiseren en weerbaar te zijn in een open, internationale samenleving’, dat de voordelen van concurrentie niet intern maar alleen naar de buitenwereld toe lijken te gelden. Het is goed dat het neoliberale marktdenken van de vorige kabinetten-Balkenende wordt getemperd, en dat het ideaal van (economische) samenwerking wordt gerehabiliteerd. Maar de gewenste ‘nieuwe balans tussen dynamiek en zekerheid’ dreigt weer in onbalans te raken als de zekerheid zó wordt opgehemeld en de onzekerheden van de flexibilisering en globalisering zó worden gevreesd.

Bovendien is het huis van de democratie geen gezinsvervangend tehuis. De democratie als staatsvorm is er juist voor om ons gebrek aan gemeenschap en sociale cohesie zo goed mogelijk te organiseren. De kernwaarden van het democratisch samenleven kunnen worden afgeleid van de minimale (maar cruciale) voorwaarden voor een goed en vreedzaam debat over wie wij zijn en willen zijn. Het is dus niet zozeer de waardenconsensus, maar juist het gebrek eraan, en de wil om hierover met elkaar in gesprek te blijven, wat ons als democratische burgers bindt. Wat de boel bij elkaar houdt, is onder andere het meningsverschil over wát ons precies bij elkaar houdt. Het gaat daarbij eerder om het op beschaafde wijze ‘uithouden’ (het verdragen) van onenigheden dan om het definitief overwinnen ervan. Anders dan het regeerakkoord stelt, is het bijvoorbeeld niet zozeer de functie van kunst om ‘trots en gemeenschapsgevoel’ te scheppen, maar om de waarden van dissidentie en nonconformisme hoog te houden.

Het geklaag over het verval van de morele orde is ook daarom overdreven omdat we door zoveel andere dingen dan alleen normen en waarden bij elkaar worden gehouden. Afgezien van het feit dat de meeste van die waarden qua inhoud individualistisch zijn, en een omstreden karakter hebben, zijn er allerhande technologieën, gewoonten en symbolen die ervoor zorgen dat de samenleving niet uit elkaar valt. Denk aan de Nederlandse taal, die eerder als een handig communicatiemiddel moet worden beschouwd dan als een heilig cultuurgoed dat zodanig bepalend is voor onze nationale identiteit dat zij in de Grondwet moet worden verankerd. Denk aan middelen van verkeer en vervoer zoals auto’s, treinen, telefoons, post en de hele materiële infrastructuur die zij veronderstellen. Groepen jongeren staan via hun mobieltje bijna permanent met elkaar in contact. Een medium als televisie heeft een enorme verbindende werking, ook omdat het allerlei ‘parasociale’ relaties mogelijk maakt: de asymmetrische ‘gemeenschappen’ die men opbouwt als fan van publieke persoonlijkheden en celebrities (ook in de politieke sfeer). Of denk aan de inmiddels ontelbare virtuele gemeenschappen die worden opgebouwd via internet, zoals het vriendennetwerk Hyves, interactieve weblogs en allerlei themagerichte sites (waaronder politieke discussiesites zoals Waterland).

Het regeerakkoord is een welkome breuk met het neoliberale marktdenken. Maar het is ook een knieval voor een tijdgeest die alles in het teken stelt van houvast en zekerheid. De PvdA lijkt de inhoud van de sociaal-democratie te hebben versmald tot risicomijdend gedrag en ook wordt helaas afstand genomen van het individualisme. De sociale rechtvaardigheid en kansengelijkheid komen er bekaaid af. In plaats van mee te buigen met dit sociaal-conservatisme, moeten we er juist tegenin gaan, ter verdediging van de vrijzinnigheid en de democratische kracht van zwakkere, lossere culturele bindingen.

Zekerheid en onzekerheid staan in een precaire verhouding tot elkaar: het eerste is niet alleen goed en het tweede niet alleen slecht. In plaats van toe te geven aan de angst voor de vrijheid, moeten we beter leren omgaan met de risico’s en dubbelzinnigheden van het bestaan. En deze ook leren waarderen. Het is onder meer de taak van de overheid om mensen daartoe te emanciperen en beter uit te rusten. Want de kansen op werkelijke individualiteit zijn nog altijd ongelijk verdeeld.

    • Dick Pels