Vroeger was het simpel in de cel

Wat zijn we opgeschoten? Vijftien jaar geleden vroeg W&O naar de toenmalige gaten in de kennis. Een terugblik naar een vooruitblik. Wim Köhler

DNA-model in het Smithsonian Institution, Washington. foto ap Visitors examine a large model of the DNA double helix at an exhibit titled "Genome: The Secret of How Life Works" at the Smithsonian Institution's Arts and Industries building in Washington, Friday, June 6, 2003. The exhibit opens to the public Saturday, June 7. (AP Photo/Charles Dharapak) Associated Press

In 1992 vierde deze wetenschapsbijlage het tienjarig bestaan met een wel heel speciale bijlage. Daarin stonden interviews, monologen of columns met en door dertig Nederlandse wetenschappers. Allemaal mannen. Daarop kwam achteraf kritiek. Onder de zestien interviewers waren wel drie vrouwen.

Die bijlage met dertig stukken was zo dik dat er net zo goed een boek van gemaakt kon worden, schreef chef wetenschap Rob Biersma in het voorwoord van het boekje dat er inderdaad kwam. ‘Met de Mond vol Tanden’ heette het.

De titel sloeg op de dertig geleerden die ons moesten vertellen op welke vragen ze geen antwoord wisten. Maar als wetenschapsjournalisten stonden we ook wel met de mond vol tanden. Het moest een feestbijlage worden, maar de vragen die we hadden bedacht, daar wilden de meeste geïnterviewden helemaal niet op antwoorden. Die drie vragen waren: wat weet u over vijf jaar nog niet? Wat weet u over tien jaar nog niet? En wat zal uw discipline wel nooit weten?

Ik sprak bijvoorbeeld een steeds knorriger wordende neurofarmacoloog David de Wied die net zo lang bleef praten tot hij de stand van zaken van dat moment had verteld, maar eigenlijk niet in de toekomst wilde kijken. De enige echte uitzondering was klinisch geneticus Hans Galjaard. Hij had zich voorbereid met een elegante puntsgewijze opsomming. “Ik heb zeven onopgeloste vragen en ik stel ze gaand van fundamenteel naar toegepast, of anders gezegd van wetenschappelijk naar ethisch-maatschappelijk.” Galjaard was een goed popularisator die wist hoe hij een groot publiek moest bereiken.

Zijn fundamentele vragen betroffen de regulatie van de genexpressie, de embryonale ontwikkeling (hoe weet de ene cel in een embryo dat hij straks huidcel wordt en een andere dat hij spiercel of zenuwcel wordt?), het ontstaan van erfelijke afwijkingen, de samenwerking tussen genen en de relatie tussen een genafwijking en de ernst van een erfelijke ziekte.

Over dat laatste legt Galjaard haarfijn uit hoe één gen gemuteerd kan zijn en dan de oorzaak van een erfelijke ziekte is. Maar dat dat gen bijvoorbeeld met vijf andere in een stofwisselingsproces samenwerkt die ieder weer variaties kan vertonen (SNP’s noemen we die tegenwoordig graag, single nucleotide polymorphisms) en dat ook leefomstandigheden (roken, eten, fijnstof, allergene omgeving) de werking van die genen nog kunnen beïnvloeden. “Als we daar inzicht in krijgen, komt er een moment waarop de nature-nurture-discussie achterhaald is.”

Het was een mooie beschrijving van een onderzoeksgebied dat nu, vijftien jaar later, hot is. En de nature-nurture-kwestie is nu inderdaad zo goed als dood. Dat is de winst van de wetenschap van de afgelopen vijftien jaar. Net zoals de scheiding tussen lichaam en geest eigenlijk wel weg is. Terwijl het respect voor de psychoanalyse dat nog uit de interviews sprak, ook wel verdwenen is.

De moleculaire biologie, waarover Galjaard meer scherpe observaties had (de kloof tussen diagnostische kennis en therapeutische mogelijkheden groeit; veel nieuwe technologieën, zoals orgaantransplantatie, zijn halfwas-technologieën met enorme problemen – nooit genoeg donoren), is in die vijftien jaar explosief ingewikkelder geworden.

Vijftien jaar geleden leefden de meeste biochemici in een simpel model. Een gen dat door zijn regelsysteem ‘aan’ wordt gezet, maakt een messenger-RNA-molecuul. Dat mRNA-molecuul is de genetisch bepaalde matrijs voor een eiwit dat elders in de cel wordt gesynthetiseerd. Dat eiwit doet zijn werk als enzym, bouwstof of boodschapperstof. Eén gen, één eiwit. Eén werkingsmechanisme. Dat idee is nu wel verdwenen.

rna-moleculen

Kankeronderzoeker Piet Borst gaat er in ‘De mond vol tanden’ nog van uit dat de mens 100.000 genen heeft. Galjaard noemt 50.000. De verrassing kwam toen het Human Genome Project in 2001 zijn voltooiing naderde: hou het maar op 25.000. En beide kopieën van een gen – de een geërfd van vader, de ander van moeder – zijn niet altijd even actief. Sommige worden geblokkeerd, door methylgroepen bijvoorbeeld. En het mRNA dat van een gen komt, wordt niet zomaar een eiwit, maar kan ingrijpend worden geknipt en geplakt, zodat uit één gen meer eiwitten ontstaan. Helemaal nieuw is dat allerlei korte RNA-moleculen de gang van zaken blokkeren, of juist weer stimuleren. En de 90 procent van ons DNA die geen code voor een gen bevat – lang aangeduid als junk-DNA om te laten zien hoe waardeloos en overbodig het is – heeft toch allerlei onvermoede ondersteunende en regelende functies. Het is voorlopig uitgemond in de epigenetica, de wetenschap die leert dat veel eigenschappen overerven buiten de genen om.

Voor de toepassingen heeft dat grote consequenties. Kanker bijvoorbeeld, ontstaat doordat cellen zomaar gaan delen en niet meer door omringende cellen zijn te stoppen. Dat is niet de bedoeling in goedgeorganiseerd weefsel. Het leek een kwestie van detailkennis over ontspoorde regelgenen. Maar die details zijn ingewikkelder dan gedacht.

Wat zei Piet Borst, de moleculair kankeronderzoeker, in 1992 op mijn vraag of de oplossing van het kankervraagstuk niet in zijn eigen ingewikkeldheid zoek zou raken?

“Nee, dat is uitgesloten. Daar durf ik een krachtige voorspelling over te doen.”

En dan: “Kennis over het regelsysteem vertelt ons hoe al die cellen taken verdelen, elkaar aan het werk zetten en ervoor zorgen dat het geen grote rotzooi wordt, maar een heel goed georganiseerd organisme. De komende tien jaar zullen we er achter komen hoe dat allemaal werkt.”

Geen schijn van kans dat iemand dit nu ‘allemaal’ weet.

Wat ging er nog meer niet door?

Natuurkundige Gerard ’t Hooft voorzag dat de nieuwe deeltjesversneller in Genève (de Large Hadron Collider) “voor de eeuwwisseling al ruimschoots in bedrijf” zou kunnen zijn. En dat de Amerikaanse concurrent, de Superconducting Supercollider (SSC) niet al te lang daarna zou volgen. De bouw van de SSC is in 1993 stopgezet door het Amerikaanse congres, na enorme budgetproblemen. De LHC is bijna klaar en gaat dit najaar proefdraaien.

Maar ja, sommige van de bèta’s gaven tenminste antwoord op de vraag wat ze niet wisten en nooit zouden weten. En wie de voortgang in de afgelopen anderhalve decennium voorbij ziet trekken, komt bij de bèta’s uit. En bij de wetenschappen die zich vanuit de de gammarichtingen de bètahoek in werken. Hersenonderzoekers – in al hun verscheidenheid – zitten in de lift, voorlopig natuurlijk vooral omdat ze zulke mooie plaatjes kunnen maken met de in 1993 beschikbaar gekomen fMRI. Taalonderzoekers die zich op de taalverwerking in de hersenen richten, sluiten zich daar bij aan.

Maar landbouweconoom J. de Hoogh, in 1992 net met pensioen, zei in ‘De mond vol tanden’ eerlijk dat hij bij zijn afscheidsrede misschien zijn oratie van dertien jaar eerder wel had kunnen voorlezen. Zonder dat iemand het zou merken. “Ik ben misschien niet zoveel veranderd, maar de wereld ook niet. Voor de echte structurele problemen van honger, ondervoeding en armoede in de wereld is nog steeds geen enkel uitzicht op een echte oplossing.” En vijftien jaar later is dat nog zo.

Onze redacteuren interviewden indertijd ook economen, filosofen en historici. Die vonden vaak allereerst dat de vragen niet deugden.

“Het is een typische bèta-vraag,” zegt geschiedenishoogleraar P.W. Klein (1932) tegen Kees Versteegh. Met zo’n vraag is in de geschiedeniswetenschap niets aan te vangen, want iedere historicus heeft zijn eigen vragen. Klein citeert de Britse historicus Carr die zegt dat tussen de historicus en zijn ‘feiten’ een directe relatie bestaat die steeds verandert.

En wetenschapsfilosoof Gerard de Vries (1948) zegt tegen Warna Oosterbaan dat filosofen altijd een abstractieniveau omhoog willen: “Ze zullen zich eerst gaan afvragen wat beantwoordbare en onbeantwoordbare vragen zijn.”

Socioloog Jaap Goudsblom negeert de vragen beleefd en zegt dat het mentale apparaat waarmee de sociologie werkt, zelf een sociaal product is. “In de natuurwetenschappen hoef je je over de veranderlijkheid van processen weinig zorgen te maken. De sociale werkelijkheid blijft aldoor evolueren en een van de fundamentele problemen is: wat verandert er en wat verandert er niet.” De depersonificatie van de natuurwetenschappen gaat bij Goudsblom erg ver als hij zegt: “In de natuurwetenschappen bestaan ook wel wetten die naar hun ontdekker zijn genoemd, maar wat de ene onderzoeker ontdekt, had in principe ook door een ander ontdekt kunnen worden.” Maar zonder socioloog Bourdieu was er geen begrip ‘cultureel kapitaal’ geweest, volgens Goudsblom, die de kloof tussen bèta en gamma/alfa tot een peilloos ravijn uitdiept.

In spagaat over dat ravijn stond trouwens natuurkundige Frans Saris, toen columnist van de wetenschapsbijlage en directeur van het Amolf in Amsterdam. “Goede onderzoekers stellen goede vragen. Zij verknoeien hun tijd niet met problemen die reeds opgelost zijn. Zij laten zich evenmin verleiden door de romantiek van onbeantwoordbare vragen.”