Van boekenwijsheid naar empirie

Veel meer proefschriften en veel braafheid. De balans van 22½ jaar proefschriftbespreken. Paul Schnabel

Foto Flip Franssen/HH 22 De boekenwurm doet steeds vaker proeven, constateert Paul Schnabel. Nederland, Nijmegen, 5-10-2006 Promovendus houd de koker met de academische, wetenschappelijke bul in zijn handen. Foto: Flip Franssen/Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

Het hoger onderwijs was vroeger veel beter dan nu en de proefschriften waren van een hoger niveau. Dat is dus niet waar. Wel zijn er nu veel meer mensen die onderwijs aan een universiteit of hogeschool volgen, ruim een half miljoen, en ook een proefschrift is geen zeldzaamheid meer. Toen ik deze maand precies vijfentwintig jaar geleden promoveerde, gebeurde dat misschien zevenhonderd keer per jaar, terwijl het er nu ongeveer vier keer zoveel zijn. Het aantal studenten aan de Nederlandse universiteiten is in diezelfde tijd met niet meer dan een derde toegenomen tot ruim 200.000. Voor promovendi waren er in 1982 nog helemaal geen voorzieningen. Er was geen onderzoekersopleiding, er waren geen onderzoeksscholen of –instituten en een aio-schap van vier jaar was nog ondenkbaar.

monografie

Promoveren was in 1982 in de bètadisciplines al vrij gewoon, maar voor alfa’s, gamma’s en medici toch echt een uitzondering en meestal het late resultaat van wat echt een levenswerk was geweest. Een boek en één boek, dat was het eigenlijk. Het bestaat nog steeds, bij rechten en in de letteren, theologie, filosofie en ten dele ook de sociale wetenschappen overheerst nog steeds de monografie, vaak erg omvangrijk en bij voorkeur voorzien van een verpletterend notenapparaat. De leeftijd van de auteur is wel veel lager dan zelfs in mijn tijd en er zijn ook steeds minder ‘buitenpromovendi’, mensen met een baan dus. De universiteit ziet zichzelf tegenwoordig graag als bij uitstek de plaats voor wetenschappelijk onderzoek, maar in veel vakgebieden was het tot twintig jaar geleden vooral een verzamelplaats van wetenschappers, die vertelden wat ze bij anderen hadden gelezen. Nog weer twintig jaar eerder was onderzoek weinig meer dan een hobby. Toen ik in 1973 met mijn Nederlandse doctoraal sociologie in Duitsland verder ging studeren, ontdekte ik tot mijn verrassing dat mijn Duitse leermeesters zichzelf als de sociologie beschouwden. Niet iets waar ze les over gaven, maar iets wat ze zelf maakten. Ook nauwelijks gebaseerd op onderzoek overigens en voor de promovendi waren er net zo weinig voorzieningen als in Nederland.

eerste stap

De bijlage Wetenschap & Onderwijs bestond nog maar kort toen ik redacteur Martijn de Rijk voorstelde aandacht te gaan besteden aan vooral goede proefschriften, die toch de gewone dagbladpers nooit zouden halen. In die tijd hadden universiteiten ook nog niet de uitgebreide voorlichtingsdiensten die nu vanzelfsprekend zijn geworden. Mijn idee was elke week een proefschrift te laten bespreken, maar Martijn vond één per maand genoeg en bovendien moest ik dat zelf doen. Dat was en is best spannend, zeker voor de jonge doctor, maar toch ook voor mij, want vrijwel altijd is de bespreking in de NRC-proefschriftrubriek de allereerste. Ik kan dus nooit meegaan met of afgaan op het oordeel van anderen. Het is dan des te leuker als je merkt dat een naar jouw mening echt goede dissertatie de eerste stap op weg naar het hoogleraarschap is geweest. Dat is gelukkig nogal eens het geval geweest. Het eerste proefschrift dat ik besprak, in september 1984, was dat van de Assense psychiater Jan Pols en het ging over de antipsychiatrie van Thomas Szasz. Meer dan vijftien jaar later besprak ik ook het proefschrift van een van zijn kinderen. Tja, zou Martin Bril in de Volkskrant zeggen.

onbenullig

Goede proefschriften, dat was het uitgangspunt. Ik denk dat niet meer dan één keer per jaar een slecht, onbenullig of bizar proefschrift het ontgelden moest. Daar zijn er ook echt niet zoveel van, zelfs steeds minder. De beoordelingscommissie zorgt er bijna altijd wel voor dat de folie à deux waar promotor en promovendus elkaar in gevangen kunnen houden, niet veel kans krijgt. De meeste proefschriften komen ook in instituutsverband tot stand. Dat betekent dat ze meestal al in een vroeg stadium aan behoorlijk wat kritiek hebben blootgestaan. Steeds meer zijn het ook bundelingen van artikelen in toonaangevende internationale tijdschriften met uitgebreide peer review-procedures. Elk artikel wordt in geanonimiseerde vorm aan van elkaar onafhankelijke beoordelaars voorgelegd. Dat sluit fraude met de uitkomsten niet uit, maar onzin in de redeneringen wel.

In de bètadisciplines en de geneeskunde – samen goed voor meer dan tachtig procent van de dissertaties – is het artikel de standaardvorm voor een publicatie. Boeken spelen daar in het wetenschappelijk verkeer eigenlijk geen rol meer, alleen in de opleiding hebben ze nog een plaats. De linguïstiek, de psychologie en een deel van de sociologie zijn ook helemaal deze weg op gegaan. In de alfadisciplines blijft het boek als resultaat van wetenschappelijk onderzoek belangrijk, maar het wordt steeds moeilijker er de vroeger zo vanzelfsprekende erkenning voor te krijgen. Wie dissertaties van dertig of veertig jaar geleden opslaat, ziet in de meestal bescheiden literatuurlijst vooral boeken vermeld staan. Dat is echt veranderd, het gaat nu bij verwijzingen meestal om grote aantallen artikelen van vaak hele teams aan auteurs. Uiteraard gaat de voorkeur uit naar stukken die gepubliceerd zijn in hoog op de internationale ranglijst staande en uiteraard Engelstalige tijdschriften.

De wetenschap is op die manier heel snel mondialer, uniformer en beter controleerbaar geworden. De dynamiek van de wetenschappelijke ontwikkeling neemt er ook enorm door toe, maar tegelijkertijd verleidt het wel tot erg veel middle-of-the-road-onderzoek, methodisch en statistisch perfect uitgevoerd, maar inhoudelijk weinig opwindend, theoretisch vaak erg mager en praktisch nauwelijks bruikbaar. Heel zelden zal een promovendus durven te zeggen dat een theorie verworpen moet worden of dat hijzelf een nieuwe theorie heeft ontwikkeld of minstens een belangrijke aanvulling op een bestaande theorie heeft gemaakt. De eigen hypothesen worden gemakkelijk verworpen, maar van wat kennelijk de canon van een discipline is geworden, blijf je braaf af. Puur theoretische of beschouwende proefschriften zijn echt een zeldzaamheid geworden. Het gaat echt om empirisch onderzoek en dat geldt ook voor vakken als geschiedenis of literatuurwetenschap.

vroeger

Was het dan vroeger toch beter? Natuurlijk, er zijn mensen zoals Noam Chomsky die in een heel klein proefschrift de contouren van een heel nieuwe wetenschap weten neer te zetten. In de meeste gevallen gaat het bij zijn generatiegenoten in hun proefschriften van een halve eeuw geleden om breedsprakige verhandelingen die nu niemand meer wil lezen. En ook niet hoeft te lezen.