Vakken vullen

Inez Piso van Spunk over vakkenvullers

Donnie (17) loopt met versnelde pas door de supermarkt waar hij minstens drie dagen in de week vakken vult. Hij is enorm lang, waardoor hij alles in de gaten kan houden. Hij groet me vriendelijk, alsof hij me welkom heet in zijn territorium. Donnie voelt zich daadwerkelijk gelukkig in de supermarkt. „Als ik weinig uren op school heb, fiets ik zo snel mogelijk hierheen. En als ik saaie vakken heb, dan ga ik gewoon niet naar de les. Ik kan er niet tegen om zo stil te zitten, ik ben veel liever lichamelijk bezig. Er is hier ook altijd wel wat te doen. En het resultaat is meteen zichtbaar. Op school moet je weken leren en dan maar hópen op een goed resultaat. Niks voor mij, hoor.’’

Het geluid van een hoge bel schalt door de winkel. ,,Kratjes”, zegt hij.

Hij zwaait het ingeleverde bierkratje het magazijn in „Mijn ouders vinden het ‘geen goede zaak’ dat ik zoveel werk, maar zij snappen het niet, snappen niet dat ik hier evengoed een toekomst heb. En hier hebben ze me nodig. Bij een of andere opleiding heeft niemand me nodig, hoor. Zodra ik mijn havo-diploma heb, wil ik af van mijn parttimestatus.” Hij glundert bij de gedachte aan zijn toekomst. „Dan ga ik pas echt veel tijd hier doorbrengen. In de hoop dat ik me kan opwerken tot assistent-bedrijfsleider. Dan hoef ik ook niet meer in dit paarse ding rond te lopen.” Hij trekt met afkeer aan zijn grote Plus-trui. „Ik denk dat een overhemdje met een stropdas mij wel zou staan.”

David (20) heeft de vakkenvullersoutfit al een tijdje niet meer aan. Samen met zijn tweelingbroer Stefan runt hij een Albert Heijn in Barneveld. Netjes in zijn overhemd behandelt hij de klant als koning. „Dat is het meest cruciale: klant is koning. Ik heb drie jaar lang gewerkt in de Beste Albert Heijn van Nederland, in Den Dolder. Daar leer je wel wat service is.” Hij lijkt te lachen, maar vervolgt bloedserieus: „Kijk, ik werk al sinds mijn veertiende in supermarkten. Dan leer je echt wel genoeg om een eigen winkel te runnen. Daarom kan ik dat ook op mijn twintigste. Ik heb nooit ergens anders een baantje gehad dan in het supermarktwezen.” En: „Werken in de winkel is gewoonweg mijn passie. Ik wist ook vanaf mijn vijftiende zeker dat ik dit de rest van mijn leven wil doen. Toen heb ik mijn doel vastgesteld: een eigen supermarkt.”

Een eigen franchisesupermarkt, daarvan kan Boy (19) nu alleen nog maar dromen. „Dat lijkt me supervet”, glundert hij bij het horen van Davids succesverhaal. Hij is een week geleden gepromoveerd tot vaste medewerker. „Ik zou wel altijd bij deze supermarkt willen blijven werken. Laatst kreeg ik werk aangeboden voor de Albert Heijn in de stad. Ik zou veel beter betaald krijgen, maar ik heb bedankt. Ik blijf trouw aan deze supermarkt. Ik werk hier al vanaf mijn veertiende en ik wil hier in de toekomst graag blijven. Ik heb een fijne baas en het vaste personeel is een grote familie.” Hij groet een vaste klant en lacht er vriendelijk bij. „Mensen kennen mij hier en ik hou van mijn werk. Waarom zou ik een stressbaan met een veel te dik salaris willen?” Hij knipoogt naar een dun meisje gehuld in een oversized Plus-shirt. „Net nieuw hier. Ze zal het ook niet heel lang uithouden. Veel vakkenvullers en kassameisjes komen en gaan. Maar ik ben hier echt om te blijven. Toen ik begon werkte ik voor een scootertje en later voor mijn auto. Maar ik vond het vanaf het begin al leuk. Ik had de winkel snel door, hoe alles werkt, waar alles staat. Als je ergens goed in bent, dan vind je het meestal ook leuk. En ik vind het geweldig, dus ik moet wel heel goed zijn!” Hij lacht hard om zijn valse bescheidenheid en loopt met een glimlach het magazijn uit, zijn wereldje binnen.