Schouder aan schouder

‘Samen werken, samen leven’. Dat is de leus van het nieuwe kabinet. Terug naar de jaren vijftig? „Niet meer dan een jongensdroom.”

Arnold Reijndorp Foto’s Éditions Hazan, EU, M. Hillen, VROM, L. van Velzen en V. Mentzel

‘Dit wordt een regering van lieve mannen, die het beste met het land voor hebben”, zegt Marcel Möring. De Rotterdamse schrijver heeft de tekst van het regeerakkoord met lichte verbazing gelezen. „Dan staat er: ‘Veel mensen voelen zich onzeker over de toekomst’. Dat is toch de essentie van de toekomst? Dat je niet weet wat er gaat gebeuren?”

Al met al staat hij welwillend tegenover het kabinet van Balkenende, Bos en Rouvoet. „Drie witte mannen van de VU, die een bescheiden overheid voorstaan. Het calvinisme heeft Nederland gekleurd en dat vind ik niet onsympathiek.”

Möring voegt er aan toe dat hij dit „als kosmopolitische jood natuurlijk gemakkelijk kan zeggen”, maar hij is niet de enige. Wellicht brengt de nieuwe coalitie met de leuze ‘Samen werken, samen leven’ een diep verlangen van de Nederlanders onder woorden. Het is alsof na de ijstijd van het centrum-rechtse kabinet-Balkenende III de atmosfeer in het landsbestuur flink is opgewarmd. „Groot is de behoefte aan houvast, geborgenheid en een herkenbare eigen identiteit”, zegt de regering. Vroeger had je nog „de saamhorigheid en lotsverbondenheid van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog”. Nu gaat het de mensen redelijk goed, maar ze zijn toch bezorgd. „Met mij gaat het goed, maar met de samenleving minder.” Zo brengen Balkenende, Bos en Rouvoet het gevoel onder woorden dat volgens hen bij velen leeft.

Ze wensen niet te berusten in dat gevoel. De burgers, de organisaties en de overheid moeten „samen werken aan vertrouwen en respect, en aan groei en ontwikkeling”. En dan wenkt er een mooi perspectief: „een ongedeelde samenleving waarin iedereen in veiligheid een menswaardig bestaan kan opbouwen.”

Fraaie formules, erkent Paul Schnabel, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). „Dat is opvallend, want meestal zijn dit soort documenten flink dichtgespijkerd. Maar de openheid van dit akkoord is mogelijk omdat er nu geld is. Zodra het economisch goed gaat, worden de mensen bovendien optimistisch.”

Komt er een nieuwe saamhorigheid? Waait er een nieuwe wind? Waar komt die wind vandaan? Zes vooraanstaande Nederlanders – een schrijver, een cabaretière, twee wetenschappers, een politicus en een hoge regeringsadviseur – hebben allemaal zo hun ideeën over de nieuwe regering. Sommigen verwoorden die door de telefoon, anderen op hun werkkamer.

Paul Schnabel kent de antwoorden op de vragen. „Ze hebben ons Sociaal en Cultureel Rapport 2004 heel goed gelezen, daar staat het bijna letterlijk in”, zegt hij. „Ik heb bij de presentatie van dat rapport gezegd dat veel mensen het gevoel hebben: ‘met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht’.”

Nico Wilterdink, hoogleraar cultuursociologie in zijn kamer aan de Universiteit van Amsterdam: „Het is een goede afspiegeling van de tijdgeest. Veel mensen zijn bang dat het met de samenleving de verkeerde kant uitgaat. En er is wel wat veranderd. Het ethisch reveil van Van Agt uit 1977 werd destijds van progressieve linkse zijde weggehoond, maar nu spreken ook intellectuelen over geborgenheid en houvast.”

Zo niet Frits Bolkestein, ex-VVD-fractieleider, ex-minister, oud-eurocommissaris en tegenwoordig hoogleraar aan de universiteiten van Leiden en Delft in de ‘intellectuele grondslagen van politieke ontwikkelingen’. Hij doet geen moeite zijn wrevel over het in het akkoord herhaaldelijk terugkerende ‘samen’ te verbergen en zet zich met animo aan de demontage van dit begrip. „Het doet me steeds denken aan Lubbers en zijn boekje Samen onderweg, een typisch religieus angehauchte titel. Ik zou bij dat woord toch een paar pertinente vragen willen stellen. Samen met wie? Met het hele volk? Dat is natuurlijk onzin. Met de Kamer? Maar dan toch niet met de oppositie. Samen met de coalitiepartijen? Ja, dat begrijp ik. Maar dat is niets bijzonders.”

Balkenende laat zich tegenwoordig inspireren door het communautarisme, de leer die zich afzet tegen het liberalisme, en waarin een belangrijke plaats is ingeruimd voor gemeenschap, gezin en samenleving. „Een jongensdroom, net als het anarchisme”, meent Bolkestein. En een heel eind verwijderd van de antirevolutionaire wortels van de premier, en van het woord van Groen van Prinsterer: In het isolement ligt onze kracht. „In wat Balkenende nu zegt herken ik daar niets van. Is hij nog wel een van de mannenbroeders?”

Wilterdink: ,,Als je de trits ‘vrijheid, gelijkheid en broederschap’ neemt, dan valt de nadruk in het akkoord helemaal op broederschap. Over gelijkheid hoor je niet veel. Dat de verschillen tussen mensen te groot zouden zijn, dat is echt weg.”

Bolkestein vindt broederschap een lastig begrip: „Gelijkheid en vrijheid zijn begrippen die je kunt meten, daar zijn indices voor. Daarom heb ik altijd gezegd: socialisten en liberalen zijn soortgelijke mensen, alleen hebben ze andere idealen. Maar broederschap, dat is een ander geval, dat kun je niet meten. Daarom zijn christen-democraten andere mensen, ze vallen buiten de vergelijking.”

De broederschap is wel het leidende beginsel van het coalitieakkoord ‘Samen werken, samen leven’. Het is misschien de dialectiek van de geschiedenis, de pendule die uitslaat en weer terugkomt. Möring: „We hebben nu twee uitersten gehad: die alles verzorgende overheid van voornamelijk socialistischen huize, en daarna die andere, neo-liberale opvatting. De economie van Friedman, de supply-side economics, noem al die mislukte experimenten uit de Verenigde Staten maar op. Nu moet je uit zien te vinden hoe je die twee dingen met elkaar verbindt: dat we het aan de ene kant kunnen betalen en zelf verantwoordelijk zijn en dat we aan de andere kant solidariteit betrachten ten opzichte van de medemens.”

Schnabel: „Uit allerlei onderzoek blijkt het: de mensen willen geen amerikanisering van de samenleving zoals dat heet, men ziet en vreest de neoliberale, marktgeoriënteerde ontwikkelingen: privatisering, nadruk op efficiency, een minimale rol voor de overheid.”

Wilterdink: „De mensen zijn nu nog tevreden, maar bezorgd dat hun leven aangetast wordt. Ze vragen zich af: blijft dat wel zo. Het is tevredenheid die gepaard gaat met angst.”

Brigitte Kaandorp is cabaretière. Ook zij heeft het idee dat er meer behoefte aan saamhorigheid is in het land. „De mensen hebben toch gezien dat ‘zoek het zelf maar uit’ niet werkt. De NS wordt geprivatiseerd. Je mag maar heel kort studeren, als je het niet haalt, dan sodemieter je maar op. Dat ‘ieder voor zich’, al dat geïndividualiseer, het werkt helemaal niet. Er lopen te veel mensen met hun ziel onder hun arm. Het is allemaal te kil en te koud geworden.”

Vindt Bolkestein dat ook? Is de verkiezingsuitslag ook niet een afwijzing van de liberale politiek van het vorige kabinet? „Wij hebben natuurlijk verloren, maar mag ik u erop wijzen dat de PvdA ook verloren heeft en nog maar zelden zo laag heeft gestaan? Het CDA heeft ook verloren, dat wordt wel eens vergeten.”

Maar is in een geïndividualiseerde samenleving saamhorigheid en solidariteit wel mogelijk? Schnabel: „Die ontwikkelingen zijn niet met elkaar in strijd. Veel van de voorbeelden van het gemeenschapsdenken en saamhorigheid komen juist ook weer uit Amerika en de Scandinavische landen, en dat zijn zeer geïndividualiseerde samenlevingen. De meeste Nederlanders leven behoorlijk geïndividualiseerd, maar tonen toch gemeenschapszin. Denk maar aan burenhulp, kinderen die worden opgevangen, leesmoeders die op school helpen, kinderen die weggebracht worden naar het hockey- en het voetbalveld.”

Is dat niet altijd voor je eigen groep? „Dat is altijd zo geweest, maar daarnaast zijn er ook altijd mensen geweest die zich richtten op het algemeen belang. Dat is nu ook nog zo, maar het is wel een bovenlaag van de middenklasse.”

De nieuwe regering verwijst in dit verband naar de saamhorigheid en lotsverbondenheid van de jaren vijftig. Wilterdink: „Tsja, er was toen wel meer cohesie binnen een groep, maar ook veel dwang en sociale controle, en weinig uitwisseling tussen de verschillende groepen. Er waren veel meer verschillen, standsverschillen, verschillen tussen stad en platteland, verschillen die voorkwamen uit de verzuiling. Dat is echt een mythe, die saamhorigheid van de jaren vijftig.”

Schnabel: „Toen we het in de jaren vijftig minder hadden, trokken de Nederlanders meer met elkaar op, maar dat was omdat het moest. Dat zie je nu ook nog in wijken in aanbouw, als de bewoners nog in de modder zitten. De mensen vangen elkaar op, trekken ten strijde tegen de gemeente. Ze solidariseren, net zoals dat in de DDR het geval was, het was de enige manier om te overleven in een wereld van schaarste. Maar dat hoeft helemaal niet meer zodra je het beter krijgt.”

Blijft de vraag hoe je dan aan die behoefte aan saamhorigheid tegemoet moet komen. Heeft de verzorgingsstaat niet een ideologisch fundament nodig? Moet je niet af en toe uitleggen dat de mensen op elkaar zijn aangewezen, dat je elkaar nodig hebt?

Brigitte Kaandorp heeft het gevoel dat haar generatie (ze is 44) dat wel weet: „Er is een groot verschil tussen onze generatie en de babyboomers van de vorige generatie. Die hebben alles voor elkaar: mooie huizen die goedkoop zijn gekocht, ze zitten goed in de slappe was. Maar de generatie daaronder, mijn generatie dus, tobt behoorlijk. Wij hebben meer moeten knokken, het is nooit vanzelf gegaan. Dus ik begrijp dat wel hoor, die hang om weer eens dingen met z´n allen te gaan doen. En de nieuwe regering is een beetje van mijn generatie. Ze kennen onze problemen. Nu zijn wij aan de bak, dat gevoel heb ik wel. Opeens zijn wij aan de beurt.”

Bolkestein: „De werkelijke solidariteit bestaat uit hetgeen mensen vrijwillig voor elkaar doen. De meeste mensen brengen dat niet op, dat is waar. Vandaar dat de verzorgingsstaat er is, en die wordt gefinancierd door de belastingen. Is daar een ideologie voor nodig? Het is beschaafd gedrag. Een beschaving wordt beoordeeld naar het lot van de mensen die er het slechtst aan toe zijn.”

Marcel Möring hield laatst een voordracht op een gymnasium. Hij vroeg de leerlingen van de zesde klas wat ze wilden worden. Beroemd! „Toen ik op school zat, wilden we schrijver worden, of popmuzikant, of schilder. Maar zij zijn van de Idols-generatie, ze willen niet iets kunnen, ze willen beroemd worden. Dat ze misschien iets met hun talenten zouden kunnen doen voor het algemeen nut, dat besef hebben ze echt niet.”

Is het daarom toch niet nuttig als politici zo af en toe de verzorgingsstaat weer eens uitleggen? „Maar dat valt me überhaupt tegen, je hebt nauwelijks nog politici die zelf denken en zelf schrijven.” Möring bladert door het coalitieakkoord. „Je proeft hier de Troonrede-toon. Ik verlang wel eens naar iemand als Den Uyl, die zelf nog een stuk schreef, of Van Mierlo. De mond waarmee de overheid spreekt, is de mond geworden van mensen die ervoor opgeleid zijn om het verhaal van de overheid te verkopen.”

Van Rouvoet verwacht Möring veel. „Met de ChristenUnie in het kabinet wordt alles inhoudelijk. Het is in Nederland heel moeilijk om over inhoudelijke zaken te praten. We zijn zo blij dat we over abortus en euthanasie niet meer hoeven te praten, maar als je er goed over nadenkt is het eigenlijk niet goed geregeld. Bos en Balkenende worden straks gedwongen er een mening over te hebben, een pragmatische oplossing zal de ChristenUnie niet accepteren. We hebben over meer dingen niet nagedacht, niet over onze steun aan het Amerikaanse optreden in Irak, niet over ons eigen optreden in Afghanistan. Wat betekent dat voor onze rol in de wereld? Rouvoet zal zijn coalitiegenoten dwingen daarover een duidelijk standpunt in te nemen.”

Wat verwacht Frits Bolkestein van het kabinet? „Ik citeer onze fractievoorzitter in de eerste Kamer, Uri Rosenthal. Hij sprak van ‘christelijke bevoogding en socialistisch staatspaternalisme’. Daar ben ik ook bang voor. Ik verwacht eerlijk gezegd totale stilstand.”