Opgescheept met een doodenge man

Eric O’Neill hielp de FBI een geniale dubbelspion te vangen. „Ik stuntelde naar het einde.”

Eric O’Neill Foto Margriet Oostveen Oostveen, Margriet

Robert Hanssen verkocht 22 jaar lang staatsgeheimen aan de Russen. Hanssen, werkzaam voor de afdeling contraspionage van de FBI, verraadde onder codenaam ‘Ramon’ onder meer hoe de VS bij een nucleaire aanval het land zouden besturen.

Dus toen hij in 2001 werd gearresteerd, was dat wereldnieuws. Maar wat aanvankelijk niemand buiten de FBI te weten kwam, was dat een sleutelrol in de aanhouding van deze verdorven en geniale dubbelspion was vervuld door een doodnerveuze jongen van 27 jaar: Eric O’Neill.

Het is zondagochtend als ik het voormalige topgeheim thuis mag opzoeken. Een eenvoudig huis in buitenwijk Silver Spring. Vandaag gaat Eric O’Neill, katholiek, opgeleid aan de prestigieuze jezuïetenschool Gonzaga, niet naar de mis. Geen tijd, een half uur na mij verwacht hij Fox-televisie.

Vorige week kwam hier de film Breach met juichende recensies in de bioscopen. Breach gaat over de weken die O’Neill doorbracht in de werkkamer van Robert Hanssen als diens ‘assistent’. Het idee voor de film kwam van hemzelf.

Eerst vroeg Eric O’Neill de FBI het predikaat ‘geheim’ op zijn eigen dossier op te heffen – „Als je zelf onderwerp van het geheim bent en de zaak is al een paar jaar afgesloten, dan is dat niet zo moeilijk. Je moet vooral veel handtekeningen zetten.” Daarna schreef hij een synopsis voor de film en vloog hij naar de westkust om zijn idee aan de man te brengen.

Drie maanden na de aanhouding van Hanssen was O’Neill bij de FBI vertrokken. Tegenwoordig is hij advocaat. Hij hield te veel van zijn vrouw Juliana om te blijven, zegt hij. ,,Ik wil een goede echtgenoot zijn. Bij de FBI zou ik altijd uit het lood geslagen worden, dat had ik van die weken met Hanssen wel geleerd.” Eric O’Neill had genoeg beleefd voor de rest van zijn leven.

Zijn roomse achtergrond was de reden dat ze hem bij de FBI kozen. Dat moest het vertrouwen winnen van Robert Hanssen, zelf zwaar katholiek, een volgeling van Opus Dei en vader van zes kinderen – wat hem er allemaal niet van weerhield een affaire te beginnen met een stripper en zijn vrouw Bonnie gruwelijk te bedriegen door hun vrijpartijen stiekem te filmen en op internet te zetten. Maar Eric O’Neill nam hij uiteindelijk mee naar de kerk. „Een mentor-pupilrelatie. Daar zette ik op in en daar viel hij voor.”

Eric O’Neill wilde Special Agent worden. Hij studeerde rechten en was bij de FBI begonnen als ghost, zoals ze dat daar noemen. Hij volgde de gangen van mensen die de FBI verdacht vond. Tot hij dus op een zondagmorgen opeens werd opgepiept: onmiddellijk melden op Het Bureau.

De film-O’Neill krijgt daar alleen te horen dat Robert Hanssen verdacht wordt van onzedelijk internetgebruik en dat hij als diens „assistent” wordt benoemd om hem in de gaten te houden. In werkelijkheid is hem wél meteen gezegd dat tegen Hanssen een onderzoek wegens dubbelspionage liep. „Ze vertelden me, om me niet nóg zenuwachtiger te maken, alleen niet wat ze al allemaal tegen hem hadden.”

De FBI had Robert Hanssen net benoemd tot directeur van de ‘Afdeling Computer Verzekering Diensten’ – een nepafdeling, bedacht om Hanssen te kunnen isoleren in een kantoor dat van onder tot boven werd afgeluisterd. Verderop in dezelfde gang zat een geheime FBI-eenheid Hanssen in de gaten te houden – er werkten 500 FBI’ers aan zijn zaak.

Eric O’Neill heeft uiteindelijk Hanssens zakcomputertje met spionagegegevens te pakken weten te krijgen. Een bloedstollende scène, volgens O’Neill de enige in de film die helemaal klopt: „Ik kan hem nog steeds niet zien zonder weer een bijna-hartaanval te krijgen. Maar verder ben ik door de scenarioschrijvers heldhaftiger gemaakt dan ik was, hoor. Ik was gewoon nergens voor getraind, zat met een doodenge man opgescheept en stuntelde naar het einde.”

Chris Cooper speelt Robert Hanssen in de film. De acteur en zijn regisseur kozen er, tegen Hollywoodtradities in, juist voor om bad guy Hanssen humaner te maken dan hij was, met een adembenemend resultaat.

De echte Robert Hanssen was geschifter, volgens Eric O’Neill. En killer, en veel, veel perverser. „Iemand met wie nauwelijks te praten is, die altijd wil domineren, altijd te dicht in je bewegingsruimte komt, altijd al minuten zwijgend vlak achter je blijkt te staan, altijd seksuele toespelingen maakt om je te ontregelen.”

Hij kreeg levenslang. Zes boeken zijn over hem geschreven, dit is de tweede film, en nog begrijpt niemand zijn kolossale persoonlijkheid. Hem vermenselijken, dat was de enige manier om alleen maar het bestaan van een man als Robert Hanssen enigszins geloofwaardig te maken.