Ook VS moeten rekenschap afleggen

De cyclus van tirannie en oorlog in het Midden-Oosten kan alleen verminderen en mogelijk zelfs eindigen, als alle partijen zich verantwoorden voor hun wreedheden en misdaden.

Rami G. Khouri

Columnist en directeur van het Issam Fares Institute (Amerikaanse Universiteit van Beiroet); verbonden aan de Daily Star.

Het is geen verrassing dat op de jaarlijkse bijeenkomst van het Amerikaans-islamitische Wereldforum in Doha, onder auspiciën van het Brookings-instituut en de staat Qatar, de discussie zich telkens weer richt op de Amerikaanse Midden-Oostenpolitiek. De kern van de verhouding tussen de Verenigde Staten en de islamitische wereld is de onenigheid over het Midden-Oosten, maar dit geschil vertroebelt ook de blik op de VS in de rest van de islamitische wereld.

Jarenlang hebben de VS hun militaire en diplomatieke macht gebruikt om hun doelen in het gebied te verwezenlijken, waarbij ze regimes omverwierpen en probeerden het politieke en sociale landschap opnieuw in te richten. In september 2001 viel een bende moordenaars uit de Arabische wereld de VS aan, en Washington reageerde met gewapende razernij. Het begon een ‘wereldoorlog tegen de terreur’, die een paar meetbare successen heeft opgeleverd, maar die overal in de islamitische en Arabische wereld tot vele malen meer onrust en weerstand heeft geleid.

De cijfers uit betrouwbare bronnen zijn eenduidig. Een recent Amerikaans onderzoek over de Arabische wereld (door de University of Maryland in samenwerking met Zogby International) wijst uit dat 78 procent van de Arabieren een licht tot zeer ongunstige mening over de VS heeft, terwijl 72 procent van de ondervraagde Arabieren de VS als meest bedreigende land ziet. Uit een internationaal onderzoek in veertig islamitische gemeenschappen door het Amerikaanse Gallup blijkt dat moslims bewondering hebben voor de Amerikaanse techniek, vrijheid en democratie, maar dat ze meer ‘respect’ van de Amerikanen zouden willen. Zoals te verwachten was, antwoordde 57 procent van de Amerikanen op de vraag wat ze het meest aan moslimmaatschappijen bewonderden ‘niets’ of ‘dat weet ik niet’.

Dit is geen basis voor een wederzijds constructieve verhouding, en het komt telkens weer duidelijk tot uiting als Amerikanen en Arabieren/moslims in discussie gaan, zoals in Doha. Persoonlijke gesprekken tussen mensen die zichzelf als tegenstanders zien of zelfs bang zijn voor elkaar, zijn meestal nuttig, openhartig en bevredigend; maar het publieke debat neigt steeds negatiever naar belediging en rampspoed. We hoeven maar naar de openbare uitspraken van Amerikaanse functionarissen op dergelijke bijeenkomsten te luisteren om te begrijpen waarom bijna vier van de vijf Arabieren een ongunstig oordeel hebben over de VS en hun politiek.

Vorig jaar hield Karen Hughes, Amerikaans onderminister van Buitenlandse Zaken, een toespraak die een gecombineerde prijs verdiende voor naïviteit, arrogantie, armzalig moralisme en belediging. De taak om de Arabisch-islamitische achting voor de Amerikaanse regering nog verder te verminderen viel dit jaar toe aan ambassadeur David Satterfield, hoogste adviseur en coördinator voor Irak op het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken.

De kern van zijn uitspraken was dat de bevolking en regering van de VS een beperkt geduld in Irak hebben, en dat het nu aan de Irakezen is om hun toekomst in eigen hand te nemen door zich nationaal in plaats van sektarisch op te stellen. Terecht merkte hij op dat Irak met zijn sektarische conflict een potentiële strategische bedreiging voor het hele gebied is geworden, waarbij hij zei dat de VS van nu af aan hoofdzakelijk als ‘katalysator’ konden optreden terwijl de Irakezen hun eigen lot in handen namen. Ook zei hij dat de uitdaging voor Irak en andere landen afkomstig is van terroristen en opstandelingen „die hun doel proberen te bereiken met behulp van geweld” – alsof de VS bij hun bezetting van Irak voornamelijk snoepjes en iPods, en geen wapens gebruiken.

Gaandeweg wordt duidelijk, zoals Satterfield opmerkte, welke verwoesting in het hele Midden-Oosten – en misschien wel in de hele wereld – mogelijk het gevolg zal zijn van het eenzijdige Amerikaanse besluit om een oorlog in Irak te beginnen.

Als de VS zeggen dat hun geduld beperkt is en dat ze in het gunstigste geval een katalysator kunnen zijn, getuigt dat, gelet op de vernietiging en razernij die ze met hun oorlog in Irak hebben losgemaakt, nu precies van het soort neokoloniale, zelfzuchtige dubbele moraal dat bij zoveel mensen over de hele wereld angst en weerstand oproept.

Het punt verantwoordelijkheid, straffeloosheid en rekenschap stijgt op de prioriteitenlijst van mensen overal ter wereld die een einde willen zien aan deze cyclus van angst en oorlog die voor de Verenigde Staten en een groot deel van de Arabisch-islamitische wereld bepalend lijkt te zijn. Saddam Hussein en zijn Ba’athistische boeven werden eindelijk ter verantwoording geroepen en terechtgesteld. Vergelijkbare rechtszaken, maar met meer legitimiteit, zijn aan de gang in Libanon en Soedan.

De vraag rijst: moeten alleen Arabieren en moslims rekenschap afleggen voor hun wreedheden en misdaden? Of mag worden verlangd dat ook degenen in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Israël en andere landen die de dood van honderdduizenden op hun geweten hebben zich voor de wereldopinie en het recht verantwoorden? Alleen dan mogen we hopen dat er een vermindering of misschien zelfs een beëindiging mogelijk is van deze vreselijke cyclus van eeuwige tirannie en oorlog in ons gebied, die inmiddels nauw verbonden is met een neiging tot wederzijdse minachting en achterdocht onder gewone Amerikanen, Arabieren en moslims.

© Agence Global