Niet de bonte karekiet in Brabant

Dirk van Delft

In het krantje met de nominaties voor de Academische Jaarprijs 06/07 stond een interview met twee juryleden, voorzitter Rick van der Ploeg en Adriana Esmeijer. De laatste stelde dat wetenschapsjournalisten de alfawetenschappen niet serieus nemen. “Daar is buitengewoon weinig aandacht voor in wetenschapskaternen van kranten en tijdschriften”, aldus de directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds. In 1999 beweerde ze hetzelfde in haar proefschrift. Dat was toen grote onzin en dat is het nog steeds.

Toen ik in 1996 chef werd van de redactie wetenschap zag ik het als mijn missie een bijlage W&O te maken met een breed lezerspubliek. Dat gaat niet vanzelf. Als je zo’n bijlage op zijn beloop laat, waait hij binnen de kortste keren vol biologie. Nog altijd is het me een raadsel waarom ik altijd stukken over de bonte karekiet in Noordwest Brabant aangeboden kreeg, en nooit over de iconografie van de Maya’s. Kennelijk leefde bij potentiële W&O-auteurs de misvatting dat een wetenschapsbijlage moet overvloeien van bèta, dat je voor alfa en gamma in de bijlagen CS of Boeken moet zijn. Sterker, menige alfa- of gammawetenschapper stond liever in die andere katernen dan in W&O.

Dat is veranderd. Nu is het vanzelfsprekend dat alle wetenschappen in W&O aan bod komen, al voert bèta (dat het meeste onderzoeksgeld opslurpt) de boventoon. Van de vier columnisten is er één socioloog en één neerlandica. De huidige chef wetenschap is historicus en tot zijn paladijnen behoren naast drie (!) biologen, een fysica en een chemicus ook een antropoloog en een econoom, terwijl de sociaalpsychologe ter redactie altijd in de buurt is. En die redacteuren kijken ook buiten hun tuintje. De historicus is sterk geïnteresseerd in cognitiewetenschap, de econoom heeft iets met nano en de chemicus is voor veel lezers dokter.

eerwraak

Zelf vond ik het als meewerkend voorman die het schrijven niet laten kon heerlijk me in alle uithoeken van de wetenschap te wagen. Dus behalve de quantumcomputer en het vermoeden van Poincaré ook de grammatica van het Hunzib, eerwraak bij Turken, Koptische fresco’s en taalvermogens van peuters. Vakoverstijgende onderwerpen hadden een streepje voor. Mooie herinneringen bewaar ik aan een reisje naar Frankfurt, waar ik wetenschapshistoricus David King sprak over een bijzondere zeventiende-eeuwse islamitische wereldkaart uit Isfahan. Terwijl we ’s avonds laat in zijn sfeervolle appartement pitabroodjes met bier tot ons namen, leidde hij me door een fascinerende exotische wereld. Zelf was hij in Cambridge begonnen als wiskundige, als leraar had hij zich in Soedan het Arabisch eigen gemaakt, hij was op Yale gepromoveerd op manuscripten van een middeleeuwse astronoom uit Egypte en hij kon ook nog eens uit de voeten met Duits. Dat was eind 1999. Vorig jaar ging King met emeritaat en van collega’s van de Johann Wolfgang Goethe-universiteit begreep ik dat zijn afdeling inmiddels is opgeheven.

Natuurlijk moet W&O schrijven over zaken die in het nieuws zijn, je maakt deel uit van een krant. Dijken en spaceshuttles, tsunami’s en deeltjesversnellers, klimaatverandering en gekke koeien: in een krant wil je ze niet missen. Maar vergeet de stukken niet waarop niemand zit te wachten. In 1998 schreef ik een stuk over Kathleen Ollerenshaw uit Manchester. Diep in de tachtig, had zij een wiskundige doorbraak bewerkstelligd op het gebied van magische vierkanten. Volstrekt nutteloos, geweldig. Jaren later kreeg ik er nog brieven over. Trouwens, zo nutteloos was het ook weer niet: sudoku heeft alles met magische vierkanten te maken. En Kathleen keek tegen potentiële onderwerpen hetzelfde aan als ik: ‘Als het geen plezier geeft, is het de moeite niet waard.’