Nederland neemt tussenpositie in

Ondanks een protocol gaan Europese landen verschillend om met de mogelijkheid van dubbele nationaliteit. In Frankrijk is het gangbaar, in Oostenrijk is het vrijwel onmogelijk.

Dubbele nationaliteit is geen nieuw fenomeen. Wel kreeg het door de toenemende migratie in de afgelopen decennia steeds vaker aandacht, zowel in politieke als wetenschappelijke kringen. Dat leidde in 1963 tot een Europees verdrag met als hoofdregel dat het verwerven van een vreemde nationaliteit automatisch het verlies van de oude nationaliteit betekent.

Omdat deze regel al snel als te streng werd beschouwd, kwam er in 1993 het zogenoemde Tweede Protocol. Daarin werden drie uitzonderingen geregeld voor situaties waarin dubbele nationaliteit verkregen kon worden: 1. voor wie geboren wordt in een ander land dan het ‘thuisland’ van zijn ouders, 2. voor wie opgroeit in een ander land dan het ‘thuisland’ van zijn ouders, en 3. voor wie huwt met een partner van een andere nationaliteit.

Niet alle Europese landen deden mee. Dat was voor de Raad van Europa aanleiding de Europese Conventie Nationaliteit (ECN) op te stellen, die op 6 november 1997 in Straatsburg werd bekrachtigd. Deze conventie bevat een groot aantal voorschriften die zijn bedoeld om meer eenheid te brengen in de grote variatie aan wettelijke regelingen van nationaliteit.

Deze ECN-conventie is inmiddels door een stuk of twintig Europese landen, waaronder Nederland, geratificeerd. Maar de wettelijke regelingen en hun toepassingen verschillen nog steeds sterk per land. Grofweg zijn er drie categorieën:

Dubbele nationaliteit gangbaar. Dit geldt voor Finland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Ierland, Italië, Portugal, Zweden en binnenkort ook België. De Brit, bijvoorbeeld, die het staatsburgerschap van een ander land verwerft, raakt zijn Britse nationaliteit niet kwijt. En omgekeerd mag de niet-Brit zijn andere nationaliteit houden wanneer zijn aanvraag voor het Britse staatsburgerschap wordt gehonoreerd. Formele restricties voor de uitoefening van politieke beroepen of (hoge) overheidsfuncties zijn er niet.

Dubbele nationaliteit mogelijk. Dit is onder andere het geval in Duitsland en Nederland. Ze moedigen dubbele nationaliteit niet aan, maar ze hebben hun eisen voor naturalisatie wel versoepeld. Zo verlenen ze erkende vluchtelingen, immigranten die wettelijk geen afstand kunnen doen van hun oude nationaliteit en immigranten voor wie het afstand doen van hun oude nationaliteit buitengewoon moeilijk is doorgaans een tweede staatsburgerschap. Duitsland en Frankrijk hebben onderling afgesproken Duits-Franse binationaliteit te bevorderen. Ook in deze categorie gelden in principe geen beroepsverboden.

Dubbele nationaliteit bijna onmogelijk. Voorbeelden zijn Denemarken en Oostenrijk. Hun houding ten aanzien van dubbele nationaliteit geldt als restrictief. De immigrant in Denemarken die Deen wil worden, moet in beginsel afstand doen van zijn oude nationaliteit.

Van de westerse landen hanteren alleen de VS en Israël beroepsverboden bij hoge politieke functies of bij de overheid voor burgers met dubbele nationaliteit.