Koffie schenken in buurthuis is ook prima

In Amsterdam wordt veel geld gestoken in reïntegratietrajecten. Maar weinig mensen vinden werk, concludeerde de Amsterdamse Rekenkamer. Deels onterecht, vinden betrokkenen.

Het was een treurig afscheidscadeautje dat de Amsterdam wethouder Ahmed Abtoualeb (Sociale Zaken) eind januari kreeg. De Amsterdam Rekenkamer concludeerde in het onderzoek ‘Reïntegratie: begeleiding van bijstand naar werk’ dat er de afgelopen jaren miljoenen in reïntegratietrajecten werden gepompt, maar dat maar weinig mensen echt werk vonden.

Tijd om zijn Dienst Werk en Inkomen (DWI), voorheen Sociale Dienst, in de gemeenteraad te verdedigen had Aboutaleb niet meer, omdat hij staatssecretaris werd in Den Haag. Maar in zijn laatste brief aan de Amsterdamse raad van eind vorige week heeft hij zware kritiek op het rapport. Volgens Aboutaleb vergeet de Rekenkamer dat het er niet altijd om gaat dat iedereen werk vindt, maar dat ze „weer meedoen aan de maatschappij”.

Niet alleen de groep klanten die wel uit de bijstand komt, is interessant. Dat is relatief maar een kleine groep, zegt directeur Wim Schreuders van de DWI. Te vaak heerst volgens hem de misvatting dat met goede begeleiding veel mensen wel uit de bijstand geholpen kunnen worden. „De meeste klanten hebben veel begeleiding nodig en aan sommige hebben we echt jaren werk.”

Net als Aboutaleb vindt Schreuders dat de Rekenkamer veel te veel naar „de cijfertjes” heeft gekeken. „Als je alle kosten deelt door het aantal personen dat wel werk heeft gevonden, dan is er inderdaad heel veel geld uitgegeven.”

Belangrijk zijn eigenlijk twee groepen cliënten, stelt Schreuders. De mensen die dolgraag iets willen doen, maar eigenlijk niet geschikt zijn voor echt werk. Voor hen moet je iets anders zoeken, zoals vrijwilligerswerk. Die mensen kunnen bijvoorbeeld koffie schenken in een buurthuis. „Die mensen aan een bezigheid helpen kost inderdaad veel geld, maar het levert ook veel op”, zegt Schreuders. „Dat zijn mensen die misschien jaren hun huis niet uitgekomen zijn. Dat geeft weer gezondheidsproblemen, wat ook geld kost. En voor een buurt is zoiets ook heel slecht. In die gevallen is maatschappelijke deelname net zo waardevol als werk. Want voor hen een baan vinden, is zeer moeilijk.”

Dan is er nog een groep mensen, zegt Schreuders, die ook zeer moeilijk aan werk te helpen zijn, maar dat ook helemaal niet nodig vinden. Zij vinden het „wel prima” in de bijstand, ze „beunen” wat bij en komen wel rond. Hoe groot die groep is, is niet bekend. Maar volgens Schreuders moet die groep er echt uit. „Anders verlies je draagvlak voor de bijstand.”

Maar als iemand wil kan hij eindeloos in de bijstand zitten en zijn reïntegratie behoorlijk tegenhouden. Mensen komen niet op afspraken, solliciteren op zo’n wijze dat acceptatie een illusie is, of gedragen zich zo onaangepast bij de nieuwe baan dat ze zo weer op straat staan. Natuurlijk kan DWI deze mensen korten op hun bijstandsuitkering en uiteindelijk de uitkering beëindigen. Afgelopen jaar werd 15 procent van de bijstandsuitkeringen in Amsterdam beëindigd. Maar een definitief einde is er nooit. Iedereen kan telkens opnieuw een bijstandsuitkering aanvragen. „We moeten elke aanvraag in behandeling nemen. Een fraudeur kan zeggen dat hij zijn leven gebeterd heeft.”

Deze twee groepen, zegt Schreuders, kosten het meeste geld en de meeste tijd. Maar bij hen moet je er eigenlijk niet op rekenen dat ze een echte baan zullen vinden. En daar, zo verdedigt Schreuders de DWI, heeft de Rekenkamer veel te weinig rekening mee gehouden.s