Inhaalslag voor 500 miljoen Indiërs

Even leek het of India de industriële fase zou overslaan. De dienstensector zette in de economische expansie spectaculair de toon. Alles werd daarop gericht. Maar die sector is geen banenmachine, kan nooit een half miljard Indiërs, de enorme arbeidsreserve, aan werk helpen. Daarvoor is industrie nodig.

De Sona-groep, een Indiase fabrikant van autocomponenten, had vijf jaar geleden 600 man in dienst, nu 1.600. Het succesverhaal van Sona staat in een notendop symbool voor de snelle economische expansie van India. Foto Sanjit Das Rajesh Kumar poses for the photographer. Behind him is the wall of samples in the factory. Das, Sanjit

Tapash Pal probeert tevergeefs boven het kabaal in de fabriek uit te komen. Onder het bord good housekeeping prevents accidents doet hij nog een poging om uit te leggen hoe de ovens werken. Hij zegt ook: „Onze bedrijfchefs zijn vandaag op training, want we gaan onze capaciteit uitbreiden. Omdat die weg zijn dragen veel mensen op de werkvloer vandaag geen helmen.” Hij ziet de bezoeker naar het bord kijken. „Normaal gesproken doen de mensen dat wel hoor.”

Pal is directeur van Sona Okegawa, een Indiase fabriek die tandwielconstructies voor aandrijfsassen maakt voor auto’s, tractoren, vrachtwagens. Voor de binnenlandse markt („die is niet te stoppen”) en de export („bijna elke week krijgen we nieuwe potentiële buitenlandse klanten over de vloer”).

Het verhaal van Sona staat in een notendop symbool voor India. Nadat begin deze eeuw westerse bedrijven het subcontinent hadden ontdekt als outsourcing hub voor informatietechnologie, als een land waar ondernemingen van eigen bodem tegen scherpe tarieven hoogwaardige producten en diensten voor het westen konden leveren, zijn nu ook andere, industriële sectoren ontketend en interessante handelspartners voor buitenlandse multinationals en markten geworden. Even leek het of de Indiase economie, van oorsprong een agrarische economie, de industriële ontwikkelingsfase zou overslaan.

Sona Okegawa ligt in Begumpur Khatola, een industriële enclave in de stad Gurgaon in de Indiase deelstaat Haryana. In de hal hangt een bord dat bezoek van het Japanse Suzuki verwelkomt. Pal: „In twee jaar zijn er in deze buurt 300 nieuwe bedrijven bij gekomen.”

Het is de afgelopen jaren hard gegaan voor de auto-onderdelenproducent. In 1998 rolden de eerste componenten uit de fabriek. Twee jaar geleden produceerde Sona Okegawa het tien miljoenste en dit jaar alleen al maakt het bedrijf 8 miljoen componenten. Als de capaciteitsuitbreiding klaar is, kunnen er 20 miljoen componenten per jaar worden afgeleverd. Nog is 18 procent van de productie bestemd voor export, maar dat zal volgens Pal snel oplopen tot 45 procent.

„Wij deden al zaken met Japanse bedrijven als Mitsubishi, Toyota, maar hebben tegenwoordig ook klanten in de VS, Duitsland en Italië”, zegt Pal. Het bedrijf is onderdeel van de Sonagroep (omzet 200 miljoen dollar), een van de vele snel groeiende producenten van autocomponenten in India. Vijf jaar geleden had de groep 600 mensen in dienst, nu 1.600. Buiten India heeft het bedrijf dochterbedrijven en belangen in Frankrijk, Tsjechië, Brazilië en de VS en is het nadrukkelijk op zoek naar verdere uitbreiding in het westen. In het bedrijf van Pal werken zo’n 300 mensen, van wie 50 ingenieur. Het aantal banen zal worden uitgebreid tot 450 in 2009. Het gevecht om gekwalificeerd personeel, in het bijzonder ingenieurs, is daarbij ongekend, zegt Pal. Concurrenten proberen steeds weer werknemers bij hem weg te lokken. „Gemiddeld raak ik daardoor jaarlijks 12 à 13 procent van mijn ingenieurs kwijt”, zegt Pal.

De Indiase economie groeit met meer dan 9 procent onstuimig. India is, na China, de snelst groeiende economie van de wereld geworden. De toenemende binnenlandse vraag, door het stijgende consumentenvertrouwen en talloze ambitieuze infrastructurele projecten, plus de stijgende export, hebben de kassen van veel Indiase bedrijven flink gespekt. Hun winstgevendheid is de afgelopen jaren alleen maar toegenomen.

Volgens Adil Zainulbhai, uitvoerend directeur van consultant McKinsey in India, hebben buitenlandse ondernemingen meer fiducie gekregen in de capaciteiten van het Indiase bedrijfsleven, terwijl daardoor weer het Indiase bedrijfsleven meer zelfvertrouwen heeft opgedaan. Buitenlandse investeerders hebben India tegenwoordig hoog op hun verlanglijstje staan. Het ministerie van Handel en Industrie in New Delhi verwacht dat buitenlandse directe investeringen dit boekjaar bijna zullen verdubbelen tot zo’n 14 miljard dollar (10,6 miljard euro). De verdubbeling is voor India een grote voorsprong voorwaarts – tenslotte zijn bepaalde sectoren zoals financiën en detailhandel voor buitenlandse investeerders vrijwel gesloten.

Die Indiase sprong voorwaarts weerspiegelt zich in het spectaculair groeiende aandeel in het bbp van de dienstverlenende sector, waartoe de IT wordt gerekend: in 2005 al opgelopen tot 60 procent, terwijl landbouw en industrie elk zo’n 20 procent voor hun rekening namen. Alle aandacht van de staat ging aanvankelijk dan ook uit naar India’s uithangbord voor de buitenwereld, de IT en outsourcingsector. Een stimulerend overheidsbeleid ten aanzien van de industrie ontbrak vrijwel geheel.

Maar de IT-sector is geen banenmachine. In een land met een reusachtige arbeidsreserve van meer dan 500 miljoen mensen, biedt de IT-sector aan zo’n 10 miljoen mensen werk. Wil India echt economische vooruitgang boeken en zijn welvaart verspreiden naar grotere groepen van de bevolking, dan is volgens analisten snelle ontwikkeling van de industrie van levensbelang.

Er is de afgelopen jaren het een en ander ten goede veranderd, constateert Zainulbhai van McKinsey. De Indiase industrie heeft zich gereorganiseerd. De banenmachine begint te lopen. In speciale economische zones (zie: ‘Protest tegen vrijplaatsen voor ondernemers’) heeft de overheid het voor bedrijven aantrekkelijker gemaakt om fabrieken te openen. Met belastingvoordelen, flexibele ontslagregels en zo min mogelijk overheidsbureaucratie zijn dit eldorado’s geworden voor Indiase bedrijven. Ook buitenlandse concerns hebben de zones ontdekt. Zo is de deelstaat Tamil Nadu actief met het lokken van multinationals. Westerse bedrijven als Nokia en Motorola hebben gehoor gegeven aan de lokroep van de deelstaat. En het Amerikaanse lingeriemerk Victoria’s Secret biedt ruim 2.600 vrouwen in en rond Chennai (hoofdstad van Tamil Nadu) werk in zijn fabriek.

Waar de Chinese economie nog overwegend leunt op massaproductie met een lage toegevoegde waarde voor de export, kan India profiteren van zijn grote aanbod van hoog opgeleide, Engels sprekende, vakmensen. Dat aanbod stimuleert fabrikanten tot hoogwaardige industriële producten. Jaarlijks verlaten duizenden ingenieurs de universiteiten (echter net als in China, dat drie keer zoveel ingenieurs aflevert, nog altijd minder ingenieurs per hoofd van de bevolking dan in de VS). Ingenieurs die anders dan in China allemaal moeiteloos aan de slag komen.

De industriële inhaalslag die India maakt weerspiegelt zich ook in de beurskoersen. De toonaangevende graadmeter van de Effectenbeurs van Mumbai, de Sensex, is vorig jaar met 46 procent gestegen. Het zijn vooral buitenlandse investeerders geweest die voor de hausse verantwoordelijk zijn. Het is door dat buitenlandse vertrouwen voor Indiase bedrijven eenvoudig geworden om geld uit de markt te halen.

Middelgrote en grote Indiase industrieën kijken net als Sona voor hun expansie nadrukkelijker over de grenzen, richting Europa en de Verenigde Staten. De expansiedrift wordt aangejaagd door bedrijven uit de staal-, aluminium- en cementbranches. Zo kocht Tata Steel voor 8,7 miljard euro het Brits-Nederlandse staalbedrijf Corus en neemt Hindalco, een Indiase aluminiumproducent, voor 6 miljard dollar het Amerikaans-Canadese bedrijf Novelis over. Zowel Tata als Hindalco is onderdeel van oud-industriële conglomeraten. In 2005 bedroegen zulke grensoverschrijdende deals nog geen 3 miljard dollar.

Surinder Kapur (62) is de eigenaar en oprichter van de Sonagroep. Hij heeft een sober ingericht kantoor op de achtste verdieping van een modern kantoorgebouw in Gurgaon. Buiten kruipt het verkeer op de drukke Jaipur Road traag voorbij. Op zijn bureau ligt de bestseller Satisfaction: How Every Great Company Listens to the Voice of the Customer van Chris Denove en James Power. Kapur begrijpt de Indiase acquisitiejacht goed. Zelf haalde zijn bedrijf juist deze maand miljoenen dollars op voor overnames via het JM Financial Fund van de Indiase tak van Morgan Stanley. Kapur verwacht dat de komende jaren meer Indiase ondernemingen in Europa en Amerika bedrijven zullen kopen. „Je koopt op die manier nieuwe technologie, kennis van internationale markten en marktaandeel. Dat is belangrijk voor de toekomst.”

Toen vorig jaar oktober duidelijk werd dat er in 2006 in India één miljoen auto’s zouden worden geproduceerd, was dat voor hem een keerpunt, vertelt hij. Het gaf aan welke kant het opgaat met dit land. De Indiase consument is geld aan het uitgeven, terwijl de export blijft groeien. „We hebben niet voor niets vorig jaar 80 miljoen dollar geïnvesteerd in capaciteitsuitbreiding.”

Toch houdt Kapur een slag om de arm over de euforie rond de Indiase economie. Tekenen van economische oververhitting worden zichtbaar. Het is nu al zo dat veel producenten van auto’s weken, ja soms maanden achterlopen op hun schema’s. De vraag is zo groot, dat er niet direct aan kan worden voldaan. Het inflatiegevaar neemt toe. Zo zijn de afgelopen maanden op de lokale markten voor groente en fruit de prijzen hard omhooggegaan. Stijgende dieselprijzen hebben vervoer naar de markt duurder gemaakt. Plotselinge huurverhogingen van 50 procent in de populaire, centraal gelegen wijken in steden als New Delhi zijn normaal geworden. De onroerendgoedmarkten staan bijna op ontploffen.

Surinder Kapur: „Er word zoveel gebouwd, kijk om je heen. Nieuwe kantoren, nieuwe winkelcentra. Die moeten straks wel allemaal worden gevuld. Wat als dat op een gegeven moment niet meer lukt? Je moet oppassen dat hier niet hetzelfde gebeurt als tijdens de Aziëcrisis in de jaren negentig, toen de markten instortten.”