In toeristenparadijs Bali is er leven na de bom

In 2002 en 2005 werd het toeristenplaatsje Kuta op Bali opgeschrikt door bomaanslagen. Amber van Rijn peilt de sfeer op het eiland en ontdekt dat de Balinezen in karma geloven

BALI: Surfers op Kuta Beach in Bali. Foto's Maurice Boyer Surfers op het strand van Kuta op Bali Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 070124 Boyer, Maurice

Ngurah Rai Airport is een verademing na de tussenstop op het steriele vliegveld van Kuala Lumpur. In de aankomsthal spelen twee mannen een geruststellend riedeltje gamelan, Indonesische volksmuziek op grote xylofoons. Als er al bewakers zijn, slenteren ze wat rond. Ik moet denken aan het verhaal over de eerste Hollanders die hier een paar eeuwen terug op verkenning werden gestuurd. Twee van de drie wilden niet meer weg.

Buiten wacht een privéjeep die ons voor 300.000 roepia (rond de dertig euro, benzine is relatief duur) naar Lovina in het noorden brengt. Dat belooft een walhalla voor rustzoekers te zijn en dat mag ook wel na een vliegreis van twintig uur en – naar nu blijkt – nog eens drie uur rijden. Het landschap maakt veel goed. Intens groene rijstvelden lopen over in lieflijke laagbouwdorpjes, waar vrouwen in witkanten blouses en glanzende sarongs torens fruit op het hoofd dragen. „Op weg naar een ceremonie”, zegt de chauffeur. Het leven is in Bali doordrenkt van religie. Overal kom je tempels en altaartjes tegen en stenen beelden versierd met doeken en bloemen. Anders dan de rest van Indonesië, dat overwegend islamitisch is, is de meerderheid van de Balinezen hindoe.

tropische tuin

Lovina blijkt inderdaad een oase van rust. Deze acht kilometer lange strook zwart zandstrand, omlijst met groene bomen, verbindt zes kleine dorpjes met elkaar waar weinig spannende dingen gebeuren. Het is even wennen voor de veeleisende westerling, maar na een dag of wat geef je je moeiteloos over. Zeker als je logeert in Sawah Lovina, een miniresort met zes Balinese bungalowtjes in een tropische tuin vol torenhoge palmen en exotische bloemen. ’s Avonds hoor je de gekko’s roepen terwijl je mijmerend naar de duizenden sterren staart. Overdag hang je als een lui waterbeest niksend in het kleine zwembad. Vlinders en kolibries vliegen af en aan. Van onder de parasol kijk je uit over een rijstveld, waar ’s middags arbeiders hun koeien met emmers water verkoeling brengen. Tussen de bomen aan het veld, honderd meter verderop, glimt de Indische Oceaan. Om er te komen mag je dwars door het veld, langs de koeien.

Het zwarte strand is nagenoeg verlaten. Een korte wandeling naar het dorp voert langs vissershuisjes waar de bewoners je glimlachend gedag zeggen. Maar zodra de strandverkoopsters je in hun vizier krijgen, is het gedaan met de rust. Beladen met sarongs stappen ze vriendelijk doch dwingend op je af. „How are you? Where you from? You buy? Maybe later?”, blijkt al snel de riedel waarmee iedereen zijn handelswaar probeert te slijten. Maar niemand hapt. Op elke hoek van de straat hangen jongens met brommers die hoopvol „Transport?” roepen als je voorbij slentert. „Goedkoper dan de Hema!” probeert een horlogeverkoper die goed is ingesteld op het relatief hoge aandeel Nederlanders in Lovina. Je vraagt je af hoe al deze mensen hun geld verdienen.

‘we believe in karma’

Het toerisme heeft een flinke knauw gekregen van de aanslagen, vertelt Koncil, die de dagelijkse leiding heeft over Sawah Lovina. Vooral de meer afgelegen regio’s hebben daar last van, maar ook in Kuta is ‘business low’. Hij blijft positief: „Er zijn meer toeristen dan vorig jaar om deze tijd.” Hoe kijkt hij aan tegen de aanslagen? „In het begin waren we boos, maar nu staan we er niet meer bij stil. Wat kun je doen? Als er mensen zijn die een bom willen leggen, doen ze dat toch.”

In het zuiden doen ze wel aan preventie, heeft hij gehoord. „Bij de hotels in de Kuta-regio worden auto’s gecheckt. Maar hier, nee. Bali people trust everyone.” Aan de verstandhouding met de moslims die hij kent – op Bali vijf à tien procent – is niks veranderd. „We hebben altijd in harmonie geleefd. De aanslagen komen van buiten.” Kwaad zul je Koncil niet snel horen spreken. „We believe in karma”, zegt hij. „What you do, will come back to you. If not today, then tomorrow.”

Om het ons naar de zin te maken, stippelt Koncil routes uit naar tempels, hotsprings, koraalriffen en watervallen. Aanrader is volgens hem een tocht naar de piek van de Gunung Batur, een actieve vulkaan met vier diepe kraters. Je bestijgt hem midden in de nacht, om een paar uur later van een onovertroffen zonsopgang te genieten. Lovina zelf staat bekend om zijn ochtendlijke dolfijntochten. In alle vroegte met een bootje achter de zilvergrijze vrolijkerds aan – nu er maar weinig toeristen zijn, hoef je je niet al te bezwaard te voelen.

Genoeg te zien dus, maar wie kunst en cultuur zoekt, kan beter weer naar het zuiden afzakken. Naar Ubud bijvoorbeeld, het artistieke centrum van Bali, waar de beste dansers, musici, schilders en houtsnijders van het eiland wonen. Het is er stukken drukker. In het Jalan Monkey Forest, een kilometerslange straat die grenst aan Ubuds makakenreservaat, scharrelen groepjes Japanners en Russen rond tussen de vele hotels, restaurants, cafés, reisbureautjes en toeristenshops. Maar de drukte blijkt relatief; ook in Ubud hangen veel mannen met brommertaxi’s werkeloos rond, en op de markt heerst een wat grimmige sfeer – of zijn we verwend met het vredige Lovina? Iemand reageert geïrriteerd als er niks gekocht wordt. „If you don’t want, why you here?” Niet alle Balinezen zijn lief. Om aan de opdringerige verkopers te ontsnappen, duiken we op een fiets de omliggende rijstvelden en kunstenaarsdorpjes in. Houtsnijwerk is hier tot een kunst verheven en overal vind je winkeltjes met schilderijen en ambachtelijk gemaakte potten en schalen. Zo zien we Bali graag.

star treatment

Door naar Seminyak, een plaatsje net boven Kuta waar het witte strand en het uitgaansleven lonken. Hier vind je de classy resorts, hippe dj-bars en Europees georiënteerde restaurants met dito prijzen. Het Bali van de jetset zeg maar. En jetset ben je hier al snel. Met het geld waarmee je in Amsterdam een doorsnee maaltijd koopt, geniet je hier star treatment. Gedienstige obers, gesteven tafellakens, loungemuziek, en dat allemaal onder de blote hemel aan het strand, waar lichtbundels het witte schuim van de golven oplichten. Van beveiliging is weinig te merken. Bij de ingang van een chic hotel controleren de portiers een binnenkomende auto op explosieven door een spiegel onder de wagen te houden. Ondertussen zeggen ze vriendelijk gedag als je voorbij slentert en nieuwsgierig kijkt wat er gebeurt. „Moeten we u ook even checken?” roept een bewaker vrolijk.

Voor je het weet sta je midden in het feestgedruis van Kuta, het Sodom en Gomorra van Indonesië, waar nog altijd jaarlijks tienduizenden Australiërs op af komen om te slempen en sloeren. Het is de plek waar al twee keer een aanslag is gepleegd. Een paar flinke cocktails helpen de laatste scrupules overboord te gooien. Tot een dronken Scandinaviër plotseling in je oor schreeuwt dat naast deze club de eerste bom is ontploft, de grote. Het openluchtdak kijkt uit op de lege plek waar Club Sari stond. En ineens wordt duidelijk wat dat enorme bouwsel aan de overkant van de straat voorstelt: het is een monument. Alle namen van de 202 slachtoffers staan erop. Nog wat sterke drank dan maar.

De volgende ochtend aan het ontbijt. Een meisje van de bediening legt bakjes van gevouwen bananenblad met rijst en bloemen neer bij het huisaltaartje van het resort en sprenkelt er wat water overheen, zoals alle Balinezen elke dag doen. Met deze offertjes hopen ze goede goden en kwade geesten gunstig te stemmen. Op de plekken van de aanslagen zijn wekenlang vele offers gebracht. Laten we hopen dat het heeft geholpen. Als karma inderdaad een leidend principe in het universum is, kan het niet anders dan goed komen met Bali.

    • Amber van Rijn