Het blijvend belang uit ’82

862 citaties kreeg het meest geciteerde artikel uit 1982, over een kankergen. Terug naar de top van ’82. Michiel van Nieuwstadt

Als 28-jarige promovendus besloot Jan Nijhuis om op een stoel naast het echoapparaat te gaan zitten en te bekijken hoe het gedrag van een ongeborene verandert in de loop van een zwangerschap. Zo ontdekte de tegenwoordige hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht, dat een foetus in de laatste weken voor de geboorte ‘doodordinaire’ slaap-waak-patronen doormaakt. “De baby in de buik bleek geen ding te zijn, maar een individu”, zegt Nijhuis, voorzitter van de Nederlandse vereniging van gynaecologen. “De geboorte komt er even tussendoor.” Jan G. Nijhuis,MD PhD,Hoogleraar Verloskunde. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Utrecht, 14 februari 2007 Mentzel, Vincent

Eindelijk is het mogelijk een gedegen wetenschapsbijlage te maken over het jaar 1982. Een bijlage waarin de wetenschappelijke doorbraken uit dat jaar tot hun recht komen. Een bijlage waarin het 25 jaar oude kaf van het koren gescheiden wordt.

Nu pas valt te beoordelen of het wetenschappelijk nieuws waarover NRC Handelsblad in zijn eerste wetenschapsbijlage berichtte ook werkelijk de moeite waard was. Want een wetenschappelijke doorbraak is pas een doorbraak als hij wordt erkend door collega’s. Als hij is gepubliceerd en tot in lengte van jaren wordt geciteerd. Daarom vroeg NRC Handelsblad citatiedeskundigen Henk Moed en Martijn Visser van het Centrum voor Wetenschaps- en Technologie Studies in Leiden om een telling van citaties van Nederlandse wetenschappelijke artikelen uit 1982. Het resultaat was een lijst van twintig artikelen die tussen 1982 en 2006 meer dan 300 keer zijn geciteerd.

De wetenschapsbijlage heeft in 1982 lang niet al deze belangrijke publicaties opgepikt en dat komt misschien niet als een verrassing. Veel van de paginagrote verhalen van toen gaan over maatschappelijke vragen met een wetenschappelijke dimensie. Moeten we asbest afschaffen? Moeten we verder met kernenergie? En is de reageerbuisbaby ethisch wel verantwoord?

Maar natuurlijk zijn er ook veel stukken over het wetenschappelijke nieuws van toen. Zo bericht medisch redacteur Ed de Boer over de opwinding die in het kamp van de kankeronderzoekers is ontstaan over “een ontdekking die dezer dagen in Rotterdam [is] gedaan” (‘De duistere paden van het onco-gen’, W&O, 11 november 1982). Dat was een schot in de roos. Het artikel beschrijft een publicatie in Nature van Annelies de Klein en haar collega’s van de Erasmus Universiteit. Met 862 citaties in de afgelopen 25 jaar is dit stuk het meest geciteerde artikel van een Nederlandse auteur uit 1982. Als promovenda in de onderzoeksgroep van prof dr. D. Bootsma ontdekte De Klein dat kankercellen ontstaan doordat een oncogen zich in een cel verplaatst van chromosoom 9 naar 22. “Op chromosoom 22 kwam het oncogen onder controle van een ander gen”, legt De Klein uit. “Daardoor staat het ongecontroleerd aan.”

glivec

De Klein, nog altijd werkzaam aan de Erasmus Universiteit, kan wel verklaren waarom het artikel in de loop der jaren zoveel citaties heeft verzameld: “Ons fundamentele onderzoek heeft uiteindelijk geleid tot het medicijn Glivec, dat is een inhibitor, een medicijn dat aangrijpt op de kinase die wij hebben gevonden en zo de expressie van het oncogen remt. Het medicijn remt de groei van de leukemiecellen.”

De lijst van veel geciteerde artikelen uit 1982 heeft een sterk medisch karakter. Opvallend is de nadruk op methoden en technieken. Kenmerkende voorbeelden zijn een artikel waarin een nieuwe operatietechniek voor prostaatkanker wordt beschreven en onderzocht (Journal of Urology, Piet Donker, 512 citaties). Of de beschrijving van een methode om snel de concentratie te meten van een stof die bloedstolsels oplost (Trombosis and Haemostasis, Jan Verheijen). Er zijn twee wiskundekrakers. De gebroeders Lenstra beschreven in 1982 een wiskundige methode die nog altijd van groot belang is bij het versleutelen van informatie (Mathematische Annalen, 415 citaties). En Richard Gill publiceerde zijn studie over een statistische methodiek die bruikbaar is voor het inschatten van het succes van medische behandelingen (Annals of Statistics, 729 citaties, zie kader).

Er staat, naast het stuk van De Klein, nog een stuk over oncogenen in de top-3 van meest-geciteerde stukken. Het is een publicatie in Cell over een gen dat tegenwoordig bekend staat als Wnt (703 citaties). Rob Nusse en zijn collega’s ontdekten dat het gen bij de ontwikkeling van kanker van belang is. Volgens Nusse, als hoogleraar verbonden aan Stanford University, was de aandacht voor zijn artikel destijds ‘beperkt’: “In het jaar 1982 waren er veel ontdekkingen aan genen in kanker”, zo legt hij uit in een e-mail. “Ons artikel was er één van de velen. Het gen dat wij vonden bleek van belang voor de ontwikkeling van borstkanker bij muizen. In latere publicaties hebben wij aangetoond dat het mechanisme waardoor Wnt werkt ook betrokken is bij menselijke kanker zoals darmkanker.” Voor Nusse was de publicatie in Cell erg belangrijk: “Mijn hele carrière is erop gebouwd. En niet alleen die van mij, maar ook de carrières van veel andere onderzoekers die aan dit gen werken.”

De auteurs van de veel geciteerde stukken zijn doorgaans enigszins verrast over de uitzonderlijke status die hun stuk in de afgelopen 25 jaar heeft bereikt. Toch leert een kleine rondgang dat zij zich destijds wel bewust waren van het feit dat ze iets bijzonders gepubliceerd hadden. Dat vertaalde zich lang niet altijd in een grote media-aandacht. Sommige artikelen waren te specialistisch van aard, of werden gepubliceerd in tijdschriften die niet al te hoog aangeschreven stonden.

In de wetenschappelijke wereld hebben zij voor hun doorbraak wel waardering gekregen. Veel van de eerste-auteurs van de artikelen uit 1982 zijn intussen hoogleraar – als ze nog in de wetenschap werken tenminste. De Klein is de enige uitzondering onder de top-8 van eerste auteurs, en zij is ook de enige vrouw in de lijst. Ze heeft haar hele carrière voltijd gewerkt aan de Erasmus Universiteit, maar kreeg pas vorig jaar een aanstelling als universitair hoofddocent. “Misschien heb ik mijn publicatie onvoldoende uitgebuit”, zegt De Klein. “Maar de Erasmus Universiteit heeft ook slechts vijf procent vrouwelijke hoogleraren.”

operatie-methode

De hoogst scorende eerste Nederlandse auteurs voldoen aan een standaard profiel: het zijn hoofdzakelijk mannen en ze waren in 1982 een jaar of dertig. Een uitzondering is de in 1999 overleden uroloog Pieter Donker. Hij was al 68 toen hij in het Journal of Urology publiceerde over een nieuwe operatiemethode voor prostaatkanker. “Natuurlijk ken ik dat artikel nog”, reageert zijn collega J. Zwartendijk, verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum “Het artikel heeft de grondslag gelegd voor een manier van opereren die vandaag de dag nog altijd het meest wordt toegepast. Bij de toen gangbare ingrepen tussen de anus en de balzak raakten zenuw- en bloedvaatjes beschadigd die naar het erectiele weefsel liepen. Door te opereren via de buik bleek het mogelijk deze vaatjes en zenuwen te ontzien.”

De meeste succesvolle auteurs zien een duidelijk verband tussen de publicatie uit 1982 en hun latere carrière. “Ik weet niet of ik anders hoogleraar geworden was”, zegt Jan Nijhuis, hoogleraar aan de Universiteit van Maastricht. “Het artikel heeft absoluut mijn positie in de onderzoeks- en klinische wereld bepaald.” Nijhuis scoorde destijds met een promotieonderzoek waarvoor hij de slaap- en waakpatronen van foetussen in vier categorieën uiteenrafelde (zie kader).

Een enkele succesauteur heeft de wetenschap uit vrije wil de rug toegekeerd. Jos Baecke publiceerde in 1982 een stuk waarin hij een succesvolle vragenlijst introduceerde voor het in kaart brengen van het verband tussen lichamelijke beweging en fysieke gezondheid (American Journal of Clinical Nutrition, 587 citaties). “Zelf ben ik niet in het wetenschappelijk onderzoek verder gegaan, maar dat heeft niet te maken met een gebrek aan erkenning”, zegt Baecke. “Ik zocht het meer in de toegepaste sfeer, ben voor de GGD gaan werken en ik werk nu als consultant.”

onderscheid

Net als veel andere succes-auteurs beschrijft Baecke een methodiek. “Als je een instrument ontwikkelt dat goed voldoet, heb je grote kans in de jaren daarna veel geciteerd te worden’’, zegt hij. Baecke kwam op het idee in zijn vragenlijst onderscheid te maken tussen mensen die calorieën verbranden tijdens een intensieve sport, op hun werk, of in hun vrije tijd buiten de sport. “Het is heel wat anders of iemand zijn werk als zwaar beschouwt, of dat hij zegt dat hij veel sport”, legt Baecke uit. “In de vragenlijst die we daarvoor hebben ontwikkeld proberen wij die zaken te scheiden. Dat was nieuw.”

Dat een artikel veel wordt geciteerd, hoeft nog niet te betekenen dat het veel wordt gelezen. “De Baecke-vragenlijst is bekend”, zegt Tatjana van Strien, universitair hoofdocent aan het Institute for Gender Studies van de Radboud Universiteit in Nijmegen. “Maar niemand weet meer precies weet welke vragen erin stonden. Iedereen probeert op zijn eigen manier de fysieke activiteit te meten. Wat blijft staan is Baecke’s idee om in een epidemiologisch onderzoek onderscheid te maken naar verschillende activiteiten. Ideeën zijn nu eenmaal heel belangrijk in de wetenschap.”

Of ze nu veel gelezen worden of niet, de succesvolle artikelen hebben de status van icoon bereikt. Neem het stuk dat G.W. Barendsen schreef over het aantal en de grootte van de doses die gebruikt kunnen worden bij de bestraling van kankerpatiënten. Volgens Marcel Verheij, stralingsdeskundige aan het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis, was Barendsen de eerste die probeerde vast te stellen hoe verschillende weefsels reageren op diverse stralingsdoses. “In latere artikelen zijn de waarden in de belangrijke formule die Barendsen gebruikte verfijnd”, zegt hij. “Maar auteurs blijven naar zijn stuk verwijzen.”

icoon

Zo hoog was de status van het stuk van Barendsen dat het lang heeft geduurd voordat stralingsdeskundigen erkenden dat de formules die hij gebruikte niet altijd werkten. “Tegenwoordig kunnen we bij bestralingen nauwkeuriger werken”, zegt Verheij. “Dat betekent dat we kunnen werken met hogere doses. Voor die hogere doses werken de formules die in het stuk van Barendsen worden gebruikt niet goed, maar het heeft langs geduurd voordat we ervan durfden af te wijken.”