Herinneringen zonder details

Nadat Lilly was vertrokken, raakte meneer Hong alles kwijt .

Meneer Hong en zijn vrouw Lilly in de jaren veertig

Lilly Frack heette de vrouw met wie meneer Hong in 1939 trouwde. Hij heeft nog steeds de foto waarop de sleep van haar witte bruidsjurk zich als een slang om haar benen krult terwijl ze een pracht aan rozen in haar armen koestert. „Haar vader was een Britse officier, haar moeder een Chinese.”

De kamer van meneer Hong is gemeubileerd met een paar bij elkaar geraapte spullen: een scheve klerenkast, een oud bureau en een houten bed met een hoog hoofdeinde. Zijn maaltijden kookt hij op een komfoortje in de gang, voor water of de latrines moet hij naar beneden.

Bijna negentig is meneer Hong en, schat ik, hij zal nog geen vijftig kilo wegen.

„Lilly was mijn buurmeisje”, vertelt hij verder in verzorgd uitgesproken Engels. „We zaten allebei op het katholieke Saint Xavier College, in Shanghai.” Hij kijkt me aan, om te peilen lijkt het, of ik wel weet dat in die tijd veel Chinezen westers, christelijk onderwijs kregen.

„Ze leeft nog, Lilly,” vervolgt meneer Hong. „In El Paso, Texas. Bijna negentig is ze, net als ik.” Hij heeft ook nog een foto van hen tweeën, genomen in de jaren veertig, waarop ze allebei ernstig kijken. Lilly is modern gekleed voor die tijd, in een lange broek. Op haar schoot een sinistere bos witte lelies.

„Haar zuster was getrouwd met een kapitein”, gaat meneer Hong langzaam verder. Het is alsof ik de woorden van zijn lippen moet plukken. „In 1947 is Lilly op het schip van haar zwager gestapt.”

„Waarom?” vraag ik. „Mmm”", weifelt meneer Hong. „Haar vader was geïnterneerd geweest door de Japanners, misschien wilde ze daarom weg uit Azië.” Andere verklaringen heeft hij niet. Lilly liet man en drie kinderen achter. „Waarom bent u niet meegegaan?” vraag ik. De dingen zagen er immers niet rooskleurig uit, toen in China.

„Ik had mijn moeder, die was oud, ik moest voor haar zorgen”, reageert meneer Hong onverwachts snel. „Ik kon niet weg.” „Waarom heeft zij de kinderen niet meegenomen?” Meneer Hong maakt een lichte beweging met zijn schouders, hoe vaak zal hij zich deze vraag zelf gesteld hebben? „Dat vond ze te veel moeite, geloof ik.”

De moeder van meneer Hong zorgde voor de twee dochters en het zoontje terwijl meneer Hong zijn werk voortzette als tolk voor ‘de regering in Nanjing’ zoals hij het fijntjes uitdrukt. Hij was dus in dienst van de Kwomintang, de gezworen vijand van de communisten.

Twee jaar na het vertrek van Lilly kwam Mao aan de macht en verdween meneer Hong achter de tralies. Hij belandde in een kamp hier niet ver vandaan, in het noorden van de arme provincie Anhui. „We zaten op een eiland in het midden van het Witte Meer. Om ons heen was water, je kon niet weg.” Meneer Hongs zinnen worden steeds spaarzamer. Samen met de andere gevangenen moest hij op het land werken, gewassen verbouwen. „We hebben ook nog een groot stuk land drooggelegd”, herinnert hij zich.

Als ik aandring op meer details zegt hij: „Veel gevangenen waren gewone misdadigers.” Daarna voegt hij eraan toe: „Sommigen van hen wilden Engels leren.” Hij had overleefd door taalles te geven.

Wanneer hij vrijkwam weet hij niet meer precies, er zijn zoveel gaten gevallen in zijn geheugen, zegt hij. „Kort nadat Nixon een bezoek bracht aan China”, besluit hij. Zijn moeder was inmiddels overleden, zijn zoon bleek in een inrichting te zijn opgenomen, van zijn dochters was hij vervreemd.

„Deze universiteit was in verval geraakt tijdens de Culturele Revolutie. Ze hadden een docent Engels nodig. Zodoende ben ik in Anhui blijven hangen.” De campus is de laatste jaren volgebouwd met nieuwe flats, de studenten wonen in fris betegelde kamers met moderne douches, maar meneer Hong kreeg nooit een nieuwe flat aangeboden. Tot vorig jaar doceerde hij, nu is hij met pensioen.

„En Lilly? Heeft u haar ooit nog gezien?” Lang blijft meneer Hong zwijgen. „Een keer is ze teruggeweest”, zegt hij. „Kort nadat ik vrijkwam ben ik naar Sjanghai gereisd om haar te ontmoeten. Ze logeerde in een groot, mooi hotel.” Meneer Hong vertelt niet verder, maar ik ben razend nieuwsgierig hoe het was geweest. „Had ze een nieuw gezin gesticht?” Meneer Hong schudt het hoofd. „Ze is alleen gebleven, net als ik.” Waar hebben ze over gesproken? „Niet veel”, zegt meneer Hong. „Wat moest ik zeggen? Ik was alles kwijt, ik had niets.”

,,En daarna? Belt ze wel eens?’’ Meneer Hong kijkt naar buiten, waar een plataan zijn handvormige bladeren spreidt. „Heel soms, maar de laatste keer is alweer heel lang geleden.” „Hoe weet u dan dat ze nog leeft?” vraag ik. „Iemand zou het me laten weten als ze sterft, heeft ze gezegd.” Meneer Hong heft zijn kleine, magere gezicht naar me op : „Ik heb haar beloofd dat zij iets hoort wanneer ik als eerste ga.”

    • Carolijn Visser