Haest en De Graaff in de kerk

In het nieuwe kabinet zingen de christenen het hoogste lied. Haest enDe Graaff bezoeken het huis van God. Zij gaan in zwarte kousen naar de Veluwe, als boeteling het biechthokje in en swingen mee tijdens een black gospel-dienst, Halleluja

Foto Moon Jansen/ hoeden Hoofdzaak Hoeden Amsterdam Jansen, Moon

Zwarte kousen

De zondvloed stort zich uit over de straten van Nunspeet. Het opspettend regenwater maakt onze zwarte kousen nat. Wij spoeden ons achter een lange stroom gezinnen aan naar de open armen van de Gereformeerde Gemeente. Waar het elders stil is, is het hier op de vroege zondagmorgen vol leven. Op een bord in de hal lezen wij: ‘Het Huis Gods betreden met eerbare kleding. Vrouwen en meisjes met gedekt hoofd.’ We zijn goed voorbereid en hebben onze schoonheid vandaag niet geaccentueerd. Knoet en vlecht onder een hoed, rok tot over de knie. We controleren elkaar nog eenmaal op eerbaarheid. Niets wijst op onze afkomst uit de stad des verderfs.

Het is afgeladen vol. De zeldzame lege plekken op de kerkbanken dragen het bordje ‘gereserveerd’. Voor zo’n jaarplaats moet geld worden neergeteld. Als het groene lichtje naast de kansel uit gaat, mogen degenen zonder abonnement een plekje zoeken. In stille afwachting nemen we plaats binnen de gemeenschap. Voor ons zit de blauwdruk van het gezin. Pa in zondags pak, moe met zedige rok. Onder hun vleugels vier kinderen. De drie meisjes dragen kaarsrechte vlechten onder hun baret, het jongetje een wollen spencer. Tussen meer dan duizend gelovigen is geen vrouw zonder hoed, geen meisje zonder baret.

De dominee verschijnt in sober kostuum, hij is dan ook maar de knecht van de Hogepriester – zo meldt hij zichzelf aan. Dan verschijnt door een deur een man met rechte rug in zwart pak. En nog een, en nog een. Het lijkt of het kopieerapparaat is doorgeslagen, de stroom houdt pas op als twintig ouderlingen de kerkeraadsbanken hebben gevuld.

Haest schiet overeind als de gemeente gaat staan, en zijgt blozend in haar stoel terug. Zij moet nederigheid betonen, alleen mannen mogen staan. De dominee spreekt. We schrikken. We willen hem bijna te hulp schieten, zijn stem houdt het jammerende midden tussen zingen en spreken. Angstaanjagende vibraties in b-mineur stromen vanaf de kansel over de gemeente. De toon is gezet. Vanaf dit moment blazen waarschuwingen tegen zonde en verderf ons om de oren. We zoeken bescherming onder onze hoedrand, in onze bevende handen rusten bijbel en psalmenboek. Het leven is geen lolletje. En dat zien we ook. Alle hoofden zijn roerloos opgeheven, de schouders torsen schuld. We bidden voor alle smart om ons heen. Een mevrouw uit de Oranjestraat wacht op een heupoperatie. We vragen God de middelen waarmee ze behandeld wordt te zegenen. Een arme zondares uit de Harderwijkerweg ligt op sterven, ‘als zij aan uw voeten geworpen wordt, vragen wij u haar op te tillen’. Na alle smartelijkheid schijnt de zon kortstondig: God heeft een mevrouw veilig doen terugkeren van haar goede werk uit Nigeria. Stiekem turen we de kerk rond. Nu dringt tot ons door dat die ene vader met die drie kinderen, ze niet ‘dit weekend heeft’, maar dat hij weduwenaar is of dat zijn vrouw smartelijk ligt te lijden.

We vangen het kattenkwaad van vier kwajongens achter ons op. Ze waren „pas om half een thuis vannacht.” „Hoeveel te hard reed je dan?” „54 kilometer per uur.” Psalm 89, vers 14. Als het orgel inzet, verdwijnt het stoere schild van de knapen, ze zingen uit volle borst mee. We hebben er ook zin in. De psalm wordt ‘op de hele noot’ gezongen, tergend langzaam. Zingen brengt geen blijdschap, het sleept ons laatste restje levensvreugde weg.

De dominee vervolgt zijn litanie, we verstijven in onze stoel. „Echtbrekers, hoereerders, woekeraars, dronkemannen, egoïsten en dieven wacht de hel.” Buiten stillen zondaars hun voortdurende honger en dorst met verderf. Zalig zijn zij die honger en dorst hebben naar gerechtigheid. De dominee spreekt de toekomst van Nunspeet toe: „Jongens en meisjes, verwar honger en dorst niet met trek!” Een jong meisje schuin voor ons kijkt onrustig om zich heen, welke honger en dorst zal zij later krijgen? De Graaff kan het niet laten haar een lachje mee te geven.

Het woord ‘zonde’ suist zo veelvuldig om onze oren, dat we alleen nog kunnen denken aan onze – vreugdevolle – zonden. Hevig verlangend naar de verlossing lopen wij na een dienst van ruim 2 uur naar de deur. We staan nu oog en oog met onze kerkgenoten. De hoeden krijgen gezichten, de zondagse pakken ogen. Dit zijn de buurvrouwen, de dorpsgenoten die elke pas op ons levenspad zullen volgen. Deze smalle weg vol ontberingen laten wij liggen, wij kiezen snel de brede weg naar huis.

Black Gospel

‘The House of Fellowship’ ligt onder metrostation Kraaiennest, verscholen in het kale beton van de Amsterdamse Bijlmer. De lucht is staalgrijs. De Graaff parkeert, zet de auto in zijn achteruit en knalt tegen een betonnen paal. De schade: diepe schaafwond. Eigen stomme schuld.

De nieuwbouw kerkruimte wordt opgevrolijkt door een tiental kleurige Afrikaanse mannen en vrouwen. Er glimmen lachjes onze kant op. Het is niet druk, de meeste stoelen worden bezet door tamboerijnen en sambaballen. Op het podium wordt de microfoon getest: geen „Test one, two, three” , maar „God bless you, Amen!”.

„Let’s pray!” De dienst is begonnen. Vier vrouwen nemen de leiding, hooggehakt in strakke kleding beginnen ze het gebed. „Pray for marriage, pray for house, pray for finances.” Deemoedig stilzitten met handen gevouwen is in de Pinkstergemeente geen aanbidding. God eren gebeurt staand, heupwiegend en met de handen open naar boven. Het gesproken gebed zet ieder aan zijn eigen tong te bewegen. Om ons heen klinken verontrustende geluiden, binnensmonds geprevel, uitzinnige uithalen. Iedereen verlaat het aardse, vervuld van de Heilige Geest. We voelen ons stijf en bleek, en durven de vaste grond onder onze voeten niet los te laten. Faalangst trekt ons terug op onze stoel.

Roffelende drum en klimmende gitaarklanken. De deur zwiept open, brother Chris verschijnt ten tonele met in zijn gevolg de vulling voor de zaal. Vleselijkheid is hier niet zondig. Meisjes op naaldhakken, vrouwen wulps ingepakt in batik. Blinkende mannen stappen vol lichamelijk bewustzijn rond in de geestelijke wereld. Onder strak gesneden broeken glanzen boots als Amerikaanse sleeën. Wij krijgen er één als een buurman. Onze gedachten gaan de verkeerde kant op. God help ons.

De keyboardspeler kijkt ons recht in de ogen: „Raise!” Zitten doe je alleen als je te moe bent. Haest en De Graaff schieten omhoog en krijgen daarvoor een aardige lach van de priester. „Let’s welcome each other.” Reikende handen en open blikken komen op ons af: „God bless you”. De band gaat los. Voor in de zaal projecteert een broeder de songteksten vanaf zijn laptop. Niet synchroon, maar dat maakt niet uit. In de deining van de swingende zee komen onze heupen los van ons lichaam. En als we tekst niet weten, roepen we: „Amen!” Dat is altijd goed.

De muziek stopt. Priester Frank T. Akuwayo komt de boodschap brengen. „Keep the confidence.” Als bij een prijsuitreiking worden zijn woorden kracht bijgezet met keyboard en gitaar. Nu komt de duvel uit het vrolijk verpakte doosje. „The devil attacks your house, family, finances, marriage.” Akuwayo wandelt met microfoon de zaal in, zijn handen zwaaien omhoog, zijn vingers prikken de lucht in. „Devil can even attack your car.” Haest en De Graaff sidderen. De duivel huist in betonnen paaltjes!

Er worden twee afwasteiltjes naar het podium gedragen. We gissen, een heilige voetenwassing? Het blijkt de collecteteil. In swingende polonaise gaan we met z’n allen langs het podium. „It’s offeringtime, Halleluja.” Klein gevouwen briefjes dwarrelen in de teil. Onze muntjes kletteren hard en opvallend. „There are new faces in our church.” De ogen van de priester wenken ons naar voren. Met drie andere nieuwe zielen, staan we voor de gemeenschap. De microfoon die ons stralend wordt aangereikt, laat onze gestamelde dankbaarheid voor hun gastvrijheid door de zaal weerklinken. Luid applaus. Alle handen uit de zaal strekken zich naar ons uit, de gemeenschap geeft ons hun zegen. Full of joy verlaten wij de kerk. De vorm waarin hier Gods boodschap gegoten wordt, geeft ons een warme swing. Maar de boodschap blijft de boodschap. De kras in de auto is diep.

Biechten

„God die als een licht in ons hart is opgegaan, geve dat u oprecht uw zonden erkent, en zijn barmhartigheid ondervindt”, lispelt eerwaarde Steinkamp in de Onze Lieve Vrouwekerk in Amsterdam. De Graaff zit geknield in het biechthokje, haar hoofd voor een kleine opening in de scheidingswand. Door het rooster ziet zij een schim van de geestelijke, met zijn hoofd naar haar toegebogen. Hij is oud, met een dikke bril en zijn hand ter versterking achter zijn oorschelp. De Graaff stamelt en is direct ontmaskerd. „Heeft u eerder gebiecht?”

Wachtend voor het biechthokje, overdenkt Haest haar zonden. Achter de rechterdeur verlost de priester, achter de linkerdeur belijdt boeteling De Graaff haar zonden. Er schijnt nevelig licht. Naast Haest neemt de rij zondaars toe. Haar buurvrouw vertelt hoe heerlijk het is verlost te worden. „Ik zie psychiatrische patiënten die de schuld hebben opgekropt.”

De Graaff kan niet liegen voor zijn aangezicht en biecht op dat zij een zondig leven leidt. Mag ze wel in Gods Huis komen? „Hoe zondiger je bent, hoe vaker je naar de kerk moet komen. God omringde zich met zondaars en tollenaars. Wie ziek is, heeft een dokter nodig.” De Graaff wacht als een klein meisje op straf. Van verschoning is nog geen sprake, maar in de bezorgde stem van de priester klinkt de hoop dat zij de weg uit de zonde kan vinden. „Bid een minuut per dag het Onze Vader en heel langzaam gaat het werken.”

Haest knielt zedig neer en vraagt de eerwaarde haar op weg te helpen. In de ruis van het leven weet ze niet direct wat zondig is. Geruststelling volgt: God is als een goede vader, hij vergeeft alle schulden. Liegen doet Haest natuurlijk weleens, maar de vergevingsgezinde eerwaarde begrijpt een leugentje om bestwil. Je moet je medemens tenslotte niet kwetsen. Waar het om gaat is kwade opzet. Als een man tijdens de jacht niet het hert, maar per ongeluk de opzichter dodelijk raakt, is er voor God geen sprake van moord. „Wees kritisch op jezelf om jezelf beter te maken, maar wees niet té kritisch, want dan word je zwaarmoedig.” Haest wordt ontslagen van haar zonden tijdens een afsluitend gebed. Zij mag heen in vrede.

Opgeruimd en schoon van zonde treft Haest De Graaff in overpeinzing over de haar opgelegde boete. Orgelklanken en engelengezang luiden de hoogmis in. Boete of niet, we mogen met schoon geweten vanuit de kerkbanken de warme pracht en praal bezichtigen. Italiaanse reizigers slaan kruizen en branden kaarsjes. Wij zijn toeristen.

    • de Graaff