Gewoner, maar niet begrijpelijker

De laatste 25 jaar is de wetenschap alledaags geworden. Missie geslaagd, zegt wetenschapsantropoloog Bruno Latour.Hendrik Spiering

Laboratorium voor onderzoek aan organische moleculen, zoals DNA, aan de universiteit van Berkeley. foto wim klerkx 6 ‘Wetenschap is onze habitat. En daarmee alledaags’, zegt antropoloog Bruno Latour. Photo and Copyright: Wim Klerkx Nieuwe Leliestraat 12sous 1015 SP Amsterdam the Netherlands T: +31 20 6880200 e: w.klerkx@wxs.nl Life Technicians GE 28-31: May 10, 2002. Melvin Calvin Laboratory, University of California, USA. The Ôwet-labÕ of the Wemmer-group. The main research of this group is aimed at understanding the structure and function of organic molecules like DNA, RNA and protein. www.cchem.berkeley.edu/"wemmer/Home.html Same laboratory: GE28-4, GE56-18, GE57-31, GE64-3 Same city: GE22-9, GE33-2, GE57-11, GE62-3, GE65-3, GE66-4 Similar technology used: (Standard Molecular Biology techniques) GE20-11, GE27-16, GE47-9, GE51-11, GE47-23, GE69-1, GE70-3, GE86-1 Similar research: (properties of organic substances) GE47-9, GE51-11, GE67-3, GE72-27, GE86-1 Klerkx, Wim

“Hé, is dat nou een iPod?” De Franse wetenschapsantropoloog Bruno Latour is direct geïnteresseerd in het opnameapparaatje waarmee de journalist uit Nederland komt aan zetten. “Nee? Maar de bediening werkt wel met één knopje? En waarom gaat nu dat lichtje uit? Is dat normaal?”

In een klein modern kamertje in een oud onopvallend gebouw van het Centre de Sociologie des Organisations in Parijs toont Latour (geboren in 1947) zich even nieuwsgierig als in zijn artikelen en boeken. In zijn laatste boek Chroniques d’un amateur de sciences (oktober 2006) komt bijna álles langs: het anachronisme van de opmerking dat farao Ramses II is overleden aan TBC, de invloed van het patentbureau waar Einstein werkte op zijn fascinatie met tijd, het veranderde denken over de aanleg van wegen, de ‘verspreide cognitie’ aan boord van een helikoptervliegdekschip – en nog veel meer.

De grote man gaat vriendelijk in een stoeltje zitten wachten op de eerste vragen. En stelt zelf alvast de eerste vraag: “Waarom interviewt u eigenlijk geen Nederlandse wetenschapsfilosoof? Er zijn er daar genoeg die net zo werken als ik, hoor.” Ruim 25 jaar geleden werd Latour beroemd met zijn observaties in het Amerikaanse Salk-laboratorium, waar toen juist Roger Guillemin werkte aan de isolering van het hersenhormoon TRF. In 1977 kreeg Guillemin daarvoor de Nobelprijs, met zijn grote rivaal Andrew Schally. Met zijn analyse van de praktijk van die wedloop en van de wetenschappelijke hoogstandjes creëerde de antropoloog bijna eigenhandig een nieuw wetenschapsgebied: de etnografie van de wetenschap.

Sinds die studie, Laboratory Life: the Social Construction of Scientific Facts, geldt Latour in sommige kringen als een erfvijand van het wetenschappelijke waarheidstreven en als een wereldlijke paus van het postmodernisme, die alle wetenschappelijke activiteit zou zien als het resultaat van machtsstrijd en onbegrijpelijke tekstproductie. Ten onrechte. Want het enige dat Latour heeft gedaan is beschrijven hoe wetenschap eigenlijk tot stand komt: niet als een strak georganiseerde mars naar de waarheid, maar als een rommelige, door sociale strijd geteisterde intens menselijke activiteit. Alles draait om het overtuigen van de andere wetenschappers.

Voordat we gaan praten over 25 jaar wetenschap en samenleving moet dus eerst die kwestie uit de weg. Latour antwoordt: “Wat de postmodernisten deden was een vorm van scepticisme, maar dat heeft alleen maar zin tegenover een absolute waarheid. En in de wetenschap gaan het helemaal niet om een absolute waarheid. De wetenschappen zijn altijd relativistisch, er wordt altijd gezocht naar nieuwe waarheden”.

Latour veegt de kwestie van tafel. “Het is een oninteressante ruzie. En in die ruzie heb ik trouwens veel meer de neiging om de postmodernisten aan te vallen dan de anderen. Die postmodernen willen ons laten denken dat de waarheid geen zaak van de wetenschap was, maar dat is belachelijk! Als de waarheid niet belangrijk is voor een wetenschapper, waar is hij dan eigenlijk mee bezig? De waarheid is belangrijk en dat gaat over al die wezens en objecten waar de wetenschappers mee in contact staan, via hun apparaten en hun onderzoek. En die wereld is een zegbare wereld, waarin men bijvoorbeeld buitenaardse planeten introduceert.” Volgens Bruno Latour is dan ook de belangrijkste rol van de wetenschap dat ze de wereld van de mensen uitbreidt met dingen en organismen die anders nooit zichtbaar waren gemaakt.

De laatste vijfentwintig jaar was er de enorme opmars van biotechnologie en een ware invasie van elektronica in het dagelijks leven. Maar heeft dat iets veranderd aan onze relatie met wetenschap?

Latour: “Daarvoor waren er ook al veel dagelijkse voorwerpen met een wetenschappelijk verleden. Maar sinds 25 jaar geleden zijn de banden tussen maatschappij en wetenschap wel veel alledaagser geworden, banalisés. Een kwart eeuw geleden, aan het einde van de Koude Oorlog, vormden de laboratoria, de ingenieurs en de onderzoekers nog gespecialiseerde en aparte werelden. Vanuit die geïsoleerde positie druppelde de wetenschap naar buiten, in een soort gefilterde vorm. Dat is voorbij. Nu zijn de wetenschappen overal, de laboratoria zijn algemeen geworden. In feite is daarmee de missie van de wetenschap op wonderbaarlijke wijze geslaagd om zich aan de wereld op te leggen. Maar tegelijkertijd heeft de wetenschap daarbij ook zijn functie van orakel en zijn haast extraterritoriale status verloren. Het traditionele idee dat men vanaf het wetenschapseiland de planeet zal veranderen, als een soort revolutie in de politiek, is helemaal verdwenen. Dat verwacht niemand meer, evenmin als dat er door het naar binnen gieten van wetenschap betere burgers zullen ontstaan.”

Is dat goed of niet?

“Ik vind van wel. Want wetenschap is business as usual geworden. Wetenschap is nu een van de elementen van de gemeenschappelijke cultuur. Je kan weer gewoon vragen naar wat de wetenschap moet doen, zonder dat je in zinloze debatten verzeild raakt over de vraag of de wetenschap wordt beïnvloed door de buitenwereld. Nu is dat ook een absurde vraag geworden! Er is niet één onderzoeker meer die niet door de industrie wordt betaald, direct of indirect. En de wetenschap is nu ook de passie van iedereen, op een of andere manier. Niet eens als kennis of als dagelijks leven, maar als vraag of we komende tijd zullen overleven. De broeikaskwestie heeft dat enorm versterkt. Probleem is wel dat de wetenschap tegelijkertijd niet beter begrijpelijk is geworden voor het publiek, maar goed.”

Is het geen verlies? In feite is het toch de verdwijning van de verlichtings- en vooruitgangsideologie?

“Nee hoor, want even goed kun je zeggen dat we die ideologie weer hebben teruggevonden. We zijn nu eigenlijk weer teruggekomen bij de achttiende eeuw, en verder weggeraakt van de negentiende eeuw. Uiteindelijk was het idee van de achttiende-eeuwse verlichting dat de intellectuele salons, de markiezinnen, de arbeiders, de laboratoria, de academies, allemaal dragers waren van hetzelfde idee van de emancipatie van de rede. De wetenschap als deel van de cultuur. In feite bevinden we ons nu helemaal niet zo ver van dat punt. Daartegenover staat de geleerdencultuur van de negentiende eeuw, met zijn wetenschap van verheven deskundigen en de soevereine beïnvloeding van het publiek door wetenschappers en laboratoria. Dat is nu echt voorbij. De oudere ideeën van de verlichting zijn dus nog altijd springlevend.

Maar goed, hoe ingedaald die wetenschap nu ook mag zijn, er is ook heel veel twijfel over de wetenschap en zijn producten.

“Ja natuurlijk. Dat is het gevolg van die banalisation, van het gewoontjes worden van de wetenschap. Alles ligt nu open. Er ontstaan ruzies en conflicten zodra iets gemeenschappelijk is geworden, zodra ze voor de vierde keer de standaard voor de dvd gaan veranderen, of wanneer we willen weten of we nu wel of niet verder moeten gaan met kernenergie omdat dit toch zo goed is voor het klimaat. Vroeger werd zo’n dispuut uitgevochten binnen de wetenschap, binnen het laboratorium. Pas als er daarbinnen eenmaal consensus was, bereikte het de buitenwereld en dan ontstond daarover een politiek dispuut – of een religieuze, culturele, emotionele, ideologische ruzie. Maar dat conflict raakte niet aan de wetenschap zelf. Nu zijn de disputen totaal, en de wetenschap maakt daar gewoon deel van uit! En de wetenschappers staan daarin bijna op gelijk niveau als de andere deelnemers. Dat irriteert hen natuurlijk zeer. Maar dezelfde wetenschapper die zich ergert aan de publieke disputen over wetenschap, roept net zo gemakkelijk een persconferentie bijeen tegen een collega-wetenschapper die bijvoorbeeld de nucleaire politiek verdedigt. Je ziet dat allemaal heel sterk in de klimaatdiscussie. Al die onenigheden bestonden vroeger ook, maar bleven verborgen achter het idee van de vooruitgang van de wetenschap.

Iets anders: wat doet de wetenschap eigenlijk, is het de productie van feiten? Nieuwe Technieken? Grote Waarheden?

“U wilt me laten vertellen wat wetenschap is? Echt? Hahaha. Oké, er is een manier. Om te begrijpen wat wetenschap doet, kun je haar weghalen en kijken wat er gebeurt. Zonder wetenschap is er geen collectief meer. Zo is de toestand nu, na 150 jaar wetenschapsontwikkeling. Als je álle wetenschappen zou weghalen, de sociale, de exacte, de technische, de humaniora, alles, dan zou het collectief zijn gereduceerd tot mensen, van wie we niks weten trouwens en een paar woorden. Eh, ja, dat is dan alles. De wetenschappen zijn onze habitat geworden, onze complete omgeving.”

Zoals vroeger de religie?

“Ja, maar de religie bepaalde onze wereld met metaforen. De wetenschap bevolkt onze wereld letterlijk met nieuwe organismen en dingen die zij voor ons onthult in de laboratoria. De wetenschap heeft voor ons onze wereld geconstrueerd.”

Maar er zijn toch genoeg mensen die geen boodschap hebben aan die wereld van de wetenschap? New age-denken alom, geloof in magie en hekserij.

“Die geesten zijn er altijd nog. Maar dat is een minderheid, je moet letten op de grote bataljons in de samenleving. Het gaat om de door wetenschappers ontdekte wezens en dingen waarmee we nu stabiele en duurzame relaties opbouwen en die de basis vormen van onze industrie en die zelfs onze kosmos vormen. De kosmos, het heelal, is heel belangrijk.”

Die kosmos is toch ver weg?

“Niet meer, de wetenschap heeft hem dichtbij gebracht. Al die verbanden die zijn gelegd met dingen ver weg, dat zijn nu ook stabiele banden”

U bedoelt, zelfs voor kleine kinderen is de planeet Pluto inmiddels een oude bekende?

“Ja, dat is nogal een verschil met de tijd waarin we maar één planeet hadden, waaromheen de zon draaide. Nu weten we niet eens hoeveel planeten we hebben! Dat is heel duidelijk de banalisation van de wetenschap. Er is een openbaar debat over wat planeten zijn en er komt een commissie die er over gaat beslissen, net zoals in de Europese Commissie over sigaretten wordt gesproken.”

Hoe kan men dan onderscheid maken met nepwetenschap? Zoals homeopathie, waarover in de geneeskunde toch een soort oorlog heerst? Telt dan het experiment, op popperiaanse wijze?

“Er is gewoon niet één criterium dat alle disciplines bepaalt. Een deeltjesfysicus zal het onderzoek aan macromoleculen al een beetje te literair vinden misschien. De homeopathie is best een interessante kwestie. In Frankrijk wordt het gedeeltelijk vergoed door de verzekeringen. Daar zie je het al. Er is waarschijnlijk een belanghebbende groep die deze stijlvolle oplossing omarmt, die zegt: het voorkomt gevaarlijker medicijnen. Het bewijs daarvoor is niet zo makkelijk te geven, terwijl in popperiaanse zin zou het makkelijk moeten zijn: falsificatie, klaar! Maar je ziet dat daar toch van afgeweken wordt. En dat wil niet zeggen dat de mensen irrationeel zijn! Therapie en klinische zorg zijn sowieso een beetje ontsnapt aan de wetenschapsdefinities, daar gaat het echt om politiek. In feite is de wetenschap helemaal niet meer geïnteresseerd in homeopathie. Er is geen wetenschappelijke methode, er zijn alleen wetenschappelijke objecten, dingen en wezens! Álles wat je van de methode kan zeggen is per saldo van een banalité total. Zeg het maar.”

Falsificatie is toch niet zo gek als onderscheid van mogelijk ware en onware beweringen?

“Ah joh, dat is toch extreem simpel gedacht! Je moet altijd een tegenargument riskeren, natuurlijk. Maar het is niet geschikt als methode. Dat idee is typisch iets uit de koude oorlog, het was gericht tegen het nazisme, tegen het communisme, tegen de psychoanalyse. Het is polemiek! Bruikbaar, maar niet om wetenschappelijke handelingen te definiëren.

“Er is geen methode, maar er zijn wel grote problemen om de wezens en de dingen uit de wetenschappelijke wereld te ontmoeten. Dat is niet gemakkelijk, iedere keer dat dit gebeurt, wordt er een Nobelprijs uitgereikt. Je moet goed begrijpen dat er erg weinig goede wetenschap wordt gedaan. Als er echt een goede methode bestond was dat natuurlijk veel makkelijker. Wat men een wetenschappelijke methode noemt, is in werkelijkheid een soort arrogante pretentie die men vooral gebruikt in de sociale wetenschappen, als een soort laatste bastion dat men echt wetenschappelijk is. In wetenschappen waar nieuwe dingen worden ontdekt, telt dat helemaal niet. Het object van wetenschap telt en om van die objecten stabiele en exacte kennis te genereren is een moeilijk proces.”

En hoe bepaal je dan wat een wetenschappelijk object is en wat niet?

“Het grootste verschil is tussen vertrouwdheid en geen vertrouwdheid. We hebben allemaal gewone ervaringen, met gewone objecten. Van wetenschappelijke objecten is dat veel moeilijker te zeggen. In de praktijk zijn dat onbekende objecten, die ver van ons af staan. Eerst moeten ze een hele gang door het laboratorium maken, discussies in de wetenschappelijke gemeenschap doorstaan, en pas daarna worden ze gewoon. Zoals die iPod. En je trui en schoenen.”