Een oorlog tegen een ‘uncivilized nation’

Emeritus-hoogleraar algemene geschiedenis. Hij schreef onder andere ‘Europa’s koloniale eeuw, 1815-1918’ en ‘Frankrijk in oorlog, 1870-1962.’

Je hoeft geen historicus te zijn om te beseffen dat het, onze parlementariërs zo dierbare, onderscheid tussen een vechtmissie en een opbouwmissie nogal kunstmatig is. Hiervoor volstaat immers het gezond verstand. Want hoe kun je iets opbouwen zonder eerst rust en orde te scheppen en hoe kun je, omgekeerd, de ‘hearts and minds’ van een bevolking winnen als die geen uitzicht heeft op een fatsoenlijk bestaan? Maar, al is kennis van de geschiedenis hiervoor niet nodig, die kennis kan wel nuttig zijn. De problemen die zich in Afghanistan voordoen lijken namelijk veel op de problemen van de Europese koloniale mogendheden in de negentiende eeuw.

In het laatste kwart van de negentiende eeuw breidde de Europese macht zich in hoog tempo uit over grote delen van de wereld. Bijna heel Afrika en bijna geheel Zuid-, Centraal- en Zuidoost-Azië (op Afghanistan na) kwamen onder Europees gezag te staan. Die gezagsuitbreiding ging uiteraard vaak gepaard met oorlog en geweld. Dat geweld kon verschillende vormen aannemen, van korte strafexpedities tot langdurige veroveringsoorlogen. Die oorlogen leidden soms tot bloedige slachtingen, zoals de Slag bij Omdurman (2 september 1898) waar de Britse machinegeweren in enkele uren tijds 27.000 Soedanezen neerhaalden – door Winston Churchill, toen nog oorlogscorrespondent, aangeduid als „een schitterende triomf van de wapens der wetenschap over de barbaren” – en zelfs uitlopen op de uitroeiing van een heel volk, zoals dat van de Herero (1904) door de Duitsers in Zuidwest-Afrika (thans Namibië).

Dit waren echter de uitzonderingen. Meestal ging het om andere vormen van oorlogsvoering en geweldsuitoefening, vormen die doen denken aan wat thans in Afghanistan plaatsvindt. Alleen sprak men toen niet over opbouw- en vechtmissies, maar over langzame en snelle actie, niet over een inktvlek maar over een olievlek en niet over vredesmissies maar over pacificatie. De problemen waar de militairen voor stonden, waren echter vergelijkbaar. Zij moesten een strategie ontwikkelen die gericht was op andere doeleinden, en om deze te realiseren moesten zij gebruikmaken van andere methoden dan zij gewend waren. De oorlogen in de overzeese gebieden verschilden namelijk van de ‘gewone’ oorlogen in Europa, omdat ze een ander doel hadden en de militairen andere vormen van tegenstand ontmoetten.

In de ‘gewone’ oorlogen uit de Europese geschiedenis vinden we doorgaans beperkte oorlogsdoelen. De vredesvoorwaarden omvatten vaak territoriale bepalingen, maar die betroffen doorgaans slechts een deel van het grondgebied. De oorlog was niet gericht op het onderwerpen of inlijven van de gehele bevolking. In de koloniale oorlogen daarentegen vinden we absolute oorlogsdoelen. De koloniale veroveraars kwamen om te blijven. Hun doel was de blijvende en totale onderwerping van de bevolking of, zo men wil, het vestigen van een duurzame vrede.

Maar hoe moest men dit bereiken? Er vielen hierbij twee soorten oorlogen te onderscheiden. Oorlogen tegen grotere, hoger georganiseerde staten en oorlogen in gebieden met een zeer lage graad van staatkundige organisatie of, om met Sir Garnet Wolseley, Engelands beroemdste koloniale veldheer te spreken, oorlogen tegen ‘uncivilized nations’.

Paradoxaal genoeg kan men zeggen dat niet de zwakke maar juist de sterke, goed georganiseerde tegenstanders voor de Europeanen de gemakkelijkste partij waren. Zulke tegenstanders lieten zich soms verleiden tot wat zij nu juist niet moesten doen – slag leveren. Een geregelde veldslag werd namelijk doorgaans door de Europeanen gewonnen. Een tegenstander die dit vermeed, was veel moeilijker te bestrijden.

In een geregelde oorlog is het oorlogsdoel de vorst, de regering of de hoofdstad, de bezetting van bevolkingscentra of het verslaan van de vijandelijke legermacht. Maar wat te doen als deze er niet zijn? Wolseley zei dat bij de oorlog tegen een ‘uncivilized nation’, dat wil zeggen een volk zonder hoofdstad, ‘your first objective should be the capture of whatever they prize most’. In zo’n geval moest men zijn toevlucht nemen tot het stelen van vee, het verbranden van dorpen en het uitroeien van de tegenstanders.

Het was echter wel duidelijk dat dit optreden hoogstens een tijdelijke oplossing kon brengen, maar geen blijvende rust en orde. Wie een duurzame vrede wilde, moest meer doen. De Franse koloniale generaals J.S. Gallieni en H. Lyautey, die verantwoordelijk waren voor de onderwerping van Madagascar, Vietnam en, wat Lyautey betreft, ook van Marokko, hebben met dit doel een theorie van de koloniale oorlog ontwikkeld, de zogenaamde olievlektheorie.

Het pacificatiewerk heeft volgens hen twee aspecten: de langzame en de snelle actie. De ‘action lente’ is het beste procedé. Ze bestaat uit het vestigen van permanente posten en de geleidelijke zuivering van het gebied. Hierbij kan het nodig zijn ook de inheemse bevolking te bewapenen, opdat zij zichzelf kan beschermen. De methode van de ‘action lente’ was gebaseerd op de ervaringen in Noord-Vietnam. Omdat men er niet in slaagde de rebellen te achtervolgen of te doden, werd het gebied opengelegd door de aanleg van wegen en versterkte posten. De methode zou echter vooral worden toegepast in Madagascar en Marokko. Gezien de omvang van het verzet moest men in Vietnam namelijk betrekkelijk vaak overgaan tot de ‘action vive’. Dit zijn snelle operaties, uitgevoerd door mobiele en licht bewapende colonnes. Maar al is de ‘action vive’ gericht op de vernietiging van de tegenstander, men moet ook hierbij streven naar een minimum aan verwoestingen. Direct na de operaties moeten de dorpen weer worden opgebouwd, scholen worden opgericht en markten geschapen. De militaire actie moet daarom samengaan met sociaal-economische organisatie, met het aanleggen van wegen en telegraafverbindingen, met het verlenen van concessies aan Europeanen en inheemsen. In deze context formuleerde Lyautey het beroemde beeld van de pacificatie als een olievlek die zich geleidelijk over een steeds groter gebied uitbreidt.

De Israëlische militaire theoreticus en historicus Martin van Creveld heeft er verschillende malen op gewezen dat wij thans met een nieuw type oorlog te maken hebben: niet meer geregelde oorlogen tussen staten maar tegen gevaren en bedreigingen van onregelmatig georganiseerde groepen. Dit is juist, maar slechts ten dele. Het verschijnsel is niet helemaal nieuw. De koloniale mogendheden werden ook al met zulke tegenstanders geconfronteerd. De koloniale heersers hadden een ander doel dan de huidige vredesmissies. Zij waren er om te blijven. De NAVO-troepen in Afghanistan zijn daar om weer te vertrekken. Maar om dat doel te bereiken moeten zij dezelfde weg volgen als hun negentiende-eeuwse voorgangers hebben gedaan.