Een correspondent moet minder in beeld en meer naar het feest

In het debat over buitenlands nieuws op tv wordt de belangrijkste vraag steevast overgeslagen: waarom moet de correspondent steeds in beeld? Die kan beter dingen gaan doen die de redactie niet kan.

Koert Lindijer

Sinds 1983 Afrika-correspondent voorNRC Handelsblad en NOS Radio. Zijn standplaats is Nairobi.

Joris Luyendijk, voormalig correspondent in het Midden-Oosten, pleitte er onlangs in het vakblad De Journalist voor dat de journalistiek opener wordt over haar beperkingen. Hij schreef er een boek over, Het zijn net mensen, en wil een weerwoord. Luyendijk vindt dat de journalisten hun eigen grenzen moeten beschrijven. Na 24 jaar correspondentschap in Afrika ben ik het daar grondig mee oneens: de beperkingen zijn er om te overwinnen en daar hoeft de lezer niet mee te worden lastiggevallen. Ons vak kent veel grotere uitdagingen dan het doorzien van propaganda en het werken onder dictaturen.

Neem de volgende situatie. Er heerste een begrafenisstemming in de Congolese hoofdstad Kinshasa. Na de bekendmaking in november vorig jaar van de verkiezingszege van Joseph Kabila waren de straten verlaten, gevaarlijk, en in duisternis gehuld. Een sombere sfeer. „Uitbundig feestgejuich in de straten van Kinshasa”, meldde de volgende ochtend CNN, dat beelden vertoonde van enthousiaste jongeren. Dat kleine groepje opgewonden jongeren had ik inderdaad vanuit mijn hotelraam waargenomen: hoe ze betaald kregen van een kolonel om te dansen en springen voor de cameralui.

Televisie is geen berichtgeving maar show. Televisie schiet plaatjes bij het nieuws, maar doet geen serieuze poging om het nieuws en zijn context te bren gen. Soms zijn de plaatjes in scène gezet. In 1993 gingen beelden de wereld rond van een gedode Amerikaanse soldaat die onder gejuich van omstanders door de straten van de Somalische hoofdstad Mogadishu werd gesleurd. Die beelden bepalen nog steeds de Amerikaanse politiek in Afrika: nooit meer militair grondpersoneel sturen. De Rwandezen betaalden daarvoor in 1994 als eersten de prijs.

Die beelden uit Mogadishu waren bedrog. Zeker, het Amerikaanse lijk werd door woedende Somaliërs door de straten gesleurd. Maar de tv-camera’s waren daar niet bij. Op verzoek van een Reuterscorrespondent van Somalische afkomst hadden de betogers het voor de camera een keertje overgedaan.

Tonen deze twee voorbeelden aan dat de nieuwsindustrie een rijk van intriges en bedrog is, zoals Luyendijk ons voorhoudt? Natuurlijk niet. Ze tonen aan dat er slechte en goede journalisten zijn, luie en gedreven verslaggevers, oppervlakkige en diepgravende reporters. De televisie promoot de oppervlakkigheid en de gemakzuchtige collega’s zijn in opmars. Maar in Afrika is nog steeds een handjevol correspondenten dat hardnekkig op deuren blijft kloppen en propaganda doorprikt, en dat met kano’s over wilde rivieren, met auto’s over eroderende wegen en met gammele vliegtuigjes door hobbelige luchtruimen reist om een zo’n volledig mogelijk beeld te krijgen.

Luyendijk voert een kruistocht tegen de vermeende leugens door correspondenten op radio, tv en in de kranten. Wij correspondenten praten elkaar te veel na, volgen klakkeloos de agenda van buitenlandse persbureaus en we laten te weinig onze beperkingen zien, zoals bij ons werk onder dictaturen. Luyendijk zegt met zijn boek een knuppel in het hoenderhok te gooien en hij klaagt over het gebrek aan reacties van collega’s.

De belemmeringen waar Luyendijk tijdens zijn correspondentschap op stuitte, vormen al jaren een uitdaging voor journalisten in den vreemde om het beter te doen. Een correspondent behoort te weten welk persbureau in welk land betrouwbaar is, welke journalist van AP, Reuters of AFP wel of niet goed is. Hij weet dat een minister van Sportzaken soms machtiger is dan de premier. Hij kent de valkuilen van autoritair bestuurde landen, hij doorziet het patronagesysteem dat meer invloed heeft dan een regering of een rechter. Hij heeft contacten bij de illegale oppositie en neemt risico’s voor zichzelf en zijn gesprekspartners door geheime ontmoetingen. Een correspondent kent de binnenkant van de gevangenismuur.

Het merendeel van de voorbeelden over het falen van de media in zijn boek betreft tv en radio. De televisie heeft in de verslaggeverij geweldig terrein gewonnen, maar is verreweg het minst serieuze medium van de journalistiek. De tv-verslaggeving is geen maatstaf voor het correspondentschap. Beoordeel een correspondent niet op wat hij voor de televisie of de radio doet.

Dictatuur maakt goede verslaggeving onmogelijk, stelt Luyendijk. Wat zou het vak gemakkelijk zijn als dat het grootste obstakel was! Met goede kennis van zaken en contacten valt onder dictaturen te werken. Er kan worden gereisd met verzetsgroepen, er kunnen plaatselijke medewerkers worden ingezet, geheime diensten kunnen om de tuin worden geleid, en na veel bezoeken kan de muur van angst bij de bevolking worden afgebouwd. Uit de meest onvrije landen van Afrika, uit Soedan, uit Ethiopië, uit Eritrea en uit Equatoriaal Guinee bleven de afgelopen jaren belangrijke verslagen komen. Zolang in de dictatuur burgers zijn die hun nek durven uitsteken om met journalisten te praten, vallen er voor ons verhalen te maken. Met, ter bescherming, weinig bronvermelding.

Het is vele malen moeilijker om zich in te leven in de geschiedenis, om te kruipen in de ziel van de bevolking, om de dynamiek van de samenleving te vatten en om zich te ontdoen van in het Westen opgedane (voor)oordelen. Het vak wordt pas werkelijk ingewikkeld als je werkt in landen waar de staat niet of nauwelijks bestaat en niet wordt erkend door de bevolking. Het is pas werkelijk een uitdaging als je moet schrijven over regeringspolitiek in de wetenschap dat een schimmig patronagesysteem de werkelijke machtsfactor is.

Afgeschermd van ‘de waarheid’, onwetend over wat zich in de ziel van de medemens afspeelt, zoekend naar de historische en culturele achtergrond, voelt een correspondent zich gedreven voort te gaan en om dieper te graven. Dat bot blijft altijd voor je hangen om achter aan te rennen, als de nieuwsgierigheid naar de dynamiek van die andere wereld maar altijd gerekt is. Die inspiratie blijkt een boel muren te kunnen afbreken.

De discussie die Luyendijk propageert is oud. Hoe we moeten opereren in landen met geheel andere culturen vormde in de jaren zeventig en tachtig een permanent punt van discussie onder vakbroeders. De belemmeringen bij het werken onder dictaturen hield ons bezig in Afrika, in Zuid-Afrika en Ethiopië. Luyendijk gaat eraan voorbij hoeveel er is verbeterd. Verslaggeving tijdens de Eerste Wereldoorlog, tijdens de Russische revolutie, tijdens de Italiaanse veroveringen in Ethiopië en in andere oorlogen gedurende de afgelopen eeuw was beroerd, met meer leugens dan feiten. Het uitroeien van tienduizenden soldaten of muiterijen bleef onvermeld in de media.

Ik zou de knuppel in een ander hoenderhok gooien: een debat over de baan van de correspondent in het licht van de nieuwe communicatiemogelijkheden is veel noodzakelijker. In de nieuwsvoorziening is onze rol bijna uitgespeeld, we kunnen nauwelijks meer tegen de snelheid op. ‘Hilversum’ of ‘Rotterdam’ weten steeds vaker iets sneller dan wij in het veld. Grote nieuwsontwikkelingen kunnen net zo goed op de redactie worden bijgehouden.

De baan van de correspondent is greep hebben op het verhaal, is uitleg en duiding, is het beschrijven van sfeer om de lezer de vreemde verre wereld binnen te halen. De correspondent moet veel reizen en, net als tegenwoordig bij de wetenschapsredactie, geschoold zijn door ervaring, opwinding en uit de boeken opgedane kennis. Om scherp te kunnen observeren in die andere wereld moet hij met de bevolking hebben gelachen en gehuild, gefeest en gevochten.

Just being there is al lang niet meer voldoende. De inhoud van de krant is dramatisch veranderd. De te beschrijven sfeer dient niet als likmiddel zoals het glazuur op een onsmakelijke taart. De sfeerbeschrijving moet symbolisch zijn, niet de sfeer vanwege de sfeer, of het regent of hagelt, hoeft niemand te weten. Of de correspondent angst voelt is al even irrelevant. We blijven ons onderscheiden van die andere reizigers ‘die ook wel eens iets hebben meegemaakt’.

Correspondenten moeten zich gaan onderscheiden door schrijfstijl. The blood soaked hills of Kigali, de dooddoener in de verslaggeving in 1994 over Rwanda, mag niet meer. In de wetenschap dat de waarheid zich soms het best laat beschrijven in romans moet de scribent zijn verhaal beter verpakken.

De werkelijkheid beschrijven is niet alleen een kwestie van inhoud, ook van stijl. Misschien moeten de redacties ons meer coachen, ons aansporen minder op bezoek te gaan bij machthebbers en meer bij auteurs, musici, bedelaars, boeren en hoeren.

Wat doen we met het correspondentschap? Dié vraag is werkelijk relevant. En veel urgenter dan de oude koeien die Luyendijk uit de sloot haalt.