De stelling van Saskia Sassen: een stad die meetelt in de globalisering, heeft cappuccino

Ook wie positief staat tegenover globalisering, moet het belang van de nationale staat niet onderschatten, zegt socioloog Saskia Sassen tegen Marc Leijendekker. En kijk ook naar de global city.

De Amerikaanse socioloog Saskia Sassen werkt aan de Universiteit van Chicago en de Londen School of Economics. Zij is gespecialiseerd in stadsontwikkeling, migratie en globalisering en was in Nederland op uitnodiging van de Stichting Kunst en Openbare Ruimte en het tijdschrift Open. Foto’s Jørgen Krielen Jorgen Krielen/Amsterdam 18-11-2006/Saskia Sassen tijdens interview met Marc Leijendekker in de Balie. Krielen, Jorgen

„Er wordt vaak veel te oppervlakkig gesproken over globalisering. Alsof dat altijd leidt tot verzwakking van de nationale staat. Kijk naar migratie. De toegenomen migratie, een proces dat je zou kunnen beschouwen als een onderdeel van globalisering, heeft er ook toe geleid dat landen een strakker toelatingsbeleid gaan voeren. Dan wordt die natie opeens weer heel belangrijk.

„Je kunt in grote lijnen twee processen onderscheiden. Een ervan is de vorming van grotere eenheden. De Europese Unie is hiervan een voorbeeld, maar ook de internationale oorlogstribunalen, een financiële markt die inmiddels heel de wereld omspant, en instellingen als de Wereldhandelsorganisatie. Een tweede proces, dat daar betrekkelijk los van staat, is de groei van contacten op een nationaal of subnationaal niveau. Kijk naar actiegroepen die contact met elkaar onderhouden, naar regeringen die hun fiscaal beleid op elkaar afstemmen, naar het beroep dat voor de nationale rechter gedaan kan worden op internationale mensenrechten.

„Of neem de globalisering van bedrijven. Mijn stelling is dat die ondenkbaar was geweest zonder een op een aantal punten sterke staat. Dat een natie een sterke rechtsstaat is, maakt het een betrouwbaarder en aantrekkelijker werkterrein voor een wereldwijd opererend bedrijf. Een land dat een zwakke rechtsstaat is, speelt wereldwijd een kleinere rol. Dus globalisering en verzwakking van de staat gaan helemaal niet altijd gelijk op. Het is een veel minder eenduidig proces dan vaak wordt gedacht.”

Een van de onderwerpen die u preciezer wilt bekijken, is de rol van grote steden in heel dit proces. U vindt het idee van een ‘global village’ – de wereld is zo klein geworden als een dorp – niet zo vruchtbaar en praat liever over de ‘global city’. Is dat niet hetzelfde, met alleen wat meer asfalt en wolkenkrabbers?

„Nee, het gaat mij om wat anders. Denk terug aan de nationale staat, die op een aantal punten sterk moet zijn om een rol te kunnen spelen in die globaliserende wereld. Wat betekent het voor een stad als die een rol wil spelen in een wereldwijde economie? Ben je er als je mondiale bedrijven hebt en met de hele wereld kunt bellen en internetten? Neen. Een mondiale economie bestaat uit meer dan grote internationale banken en multinationals. Om die draaiende te houden, is een reeks gespecialiseerde bedrijfjes nodig: financieel en juridisch, maar ook praktisch.”

Dat lijkt mij vrij logisch.

„Maar de consequenties ervan niet. Edward Koch was in de jaren tachtig burgemeester van New York. Die zei dat hij om de stad het centrum van de internationale financiële te wereld te houden, alleen kantoorgebouwen nodig had. Maar als je dan goed gaat kijken naar hoe die sector werkt, dan zie je dat die verbonden is met veel werkzaamheden waar je niet in eerste instantie aan denkt. Je hebt ook secretaresses nodig en schoonmakers, je hebt mensen nodig die snel software kunnen aanpassen, vrachtwagens om het wc-papier te brengen en dus ook plaatsen waar die vrachtwagens een nieuwe uitlaat kunnen krijgen. Hoe sterk dat allemaal aan elkaar is gekoppeld, zag je op Black Friday, de beurskrach van 1987. Dat leidde tot een enorme stijging van de werkloosheid in wijken waar veel immigranten woonden.

„Dat is de praktische kant. Maar die wereldwijd opererende bedrijven hebben ook gespecialiseerde kennis nodig. Die wordt gekocht, lokaal. Als je zaken doet in 32 landen, waaronder Argentinië, Kazachstan en Mongolië, dan zul je niet snel kennis in eigen huis hebben over de accountingregels in Mongolië. Of over de nationale wetten van Kazachstan. Die kennis huur je in, en als je maar veel van dergelijke specialismen kunt vinden in een stad, krijg je wat ik de ‘global city’ heb genoemd. Daarbij gaat het dus om stedelijke kennis, een hoge dichtheid van gespecialiseerde bedrijven.”

Wat betekent dat voor bijvoorbeeld een regering die in haar beleid rekening moet houden met globalisering?

„We hebben lang gedacht dat we geen agglomeraties meer nodig hadden. Dat het niet uitmaakte of je als beurshandelaar op Wall Street zat of in de bergen van Colorado. Maar het maakt wel uit. Kijk naar Parijs, Londen, New York. Die zaten in de jaren zeventig allemaal in het slop. Ze waren onderbevolkt, er stond veel leeg. In de jaren negentig zijn deze steden weer opgeleefd. Omdat je er die bundeling van specialistische kennis kon vinden die zo belangrijk is.

„De stad krijgt hierdoor een nieuwe betekenis. Waar een aantal nationale actoren inderdaad minder belangrijk zijn geworden, door liberalisering, deregulering, is een subnationale factor als de stad ineens belangrijker geworden. Die moet een aantal zaken kunnen bieden waar een geglobaliseerd bedrijf behoefte aan heeft. Het vermogen om dat te doen, bepaalt de strategische positie van een stad. Daarbij zie je op nationaal niveau een concentratie. Eén wordt de sterkste. Daarom trekken bedrijven weg uit Melbourne en groeit Sidney. Daarom verliest Calcutta terrein op Mumbai, Montreal aan Toronto, en Hamburg en München aan Frankfurt.”

We zien in de grote steden een groeiende kloof tussen arm en rijk. Verdwijnt daardoor de middenklasse? De politieke analyst Anatol Lieven heeft eerder op deze plaats gewaarschuwd dat daardoor een soort ruggengraat van de samenleving verdwijnt, een traditie van morele stabiliteit.

„Lieven verwees daarbij naar de belastingpolitiek van Bush, die in het voordeel van de erg rijken is. Je ziet inderdaad dat de middenklasse aan politieke macht inboet, minder zichtbaar is als een eigen groep. Dat komt niet door Bush, het is het resultaat van een veel dieper liggend proces. We zien overal de kleine zelfstandige bloemwinkel, het familiebedrijf, verdwijnen. Dat is bekend. De bedrijven worden onderdeel van een keten. Maar wat je óók ziet, of het nu Shanghai is, Parijs of New York, is een groep van ongeveer 20 procent met erg hoge inkomens. Dat zijn al die gespecialiseerde dienstverleners. Dat is een groot verschil met de één procent superrijken van vroeger. Niet alleen omdat ze met meer zijn, maar ook omdat ze anders omgaan met hun geld. Ik heb me als sociale wetenschapper afgevraagd, waarom die mensen zo hard werken. Het is niet om iets op te bouwen: als er een fusie is of het gaat even minder goed, liggen ze er zo maar uit. Dan moeten ze hun la leegmaken en vertrekken. De ratio is hun luxe levensstijl. Ze willen het laten zien: de kleren, de sjieke restaurants, de jaguar. En die 20 procent is een significant percentage, dat maakt een enorm verschil in een stad. Dat geeft een heel andere dynamiek dan die van het oude geld. Daarom is een maat voor het belang van een stad in een geglobaliseerde wereld of je er cappuccino met schuim kunt krijgen, goede wijnen kunt kopen.”

En of je sloppenwijken vindt voor al die goedkope dienstverleners als schoonmakers en vrachtwagenchauffeurs.

„Ik denk eerder dat ook hier een groter proces aan de gang is. Natuurlijk speelt globalisering mee. Maar ik denk dat een diepere oorzaak een ander idee is van wat de staat moet doen. Er gaan steeds meer onderwerpen af van die sociale agenda, het gaat steeds meer om die globaliseringsagenda. Daarom is het ook zo belangrijk dat we ons realiseren dat globalisering niet betekent dat de staat minder moet doen. Veel sociale problemen ontstaan nu doordat men denkt dat je het globale kunt en moet scheiden van het nationale.”