De erfzonde van het nahossen

In 1982 werd onevenwichtig veel bezuinigd op de onderwijsuitgaven, door nieuwe leraren lager salaris te geven. Sindsdien vergrijst het personeel en is vernieuwingsdrang ver te zoeken. Leo Prick

25 Jaar geleden, 1982: economische crisis, bezuinigingen. Iedereen moest zijn steentje bijdragen om ’s lands financiën weer op orde te brengen. Ook onderwijs. Op andere ministeries werd bezuinigd door bijvoorbeeld de aanschaf van tanks uit te stellen, wegen later aan te leggen of door het loodswezen te privatiseren. Allemaal bezuinigingen waarvan in feite niemand last had, maar bij onderwijs waren dit soort trucs niet mogelijk: je kunt kinderen niet verplichten een jaartje te wachten met de leerplichtige leeftijd te bereiken, scholen te privatiseren of een halve leraar voor de klas te zetten. Bovendien bedragen de personele kosten bij onderwijs ongeveer 90 procent van de begroting. Bezuinigen was dus alleen mogelijk door te snijden in de salarissen. Een minister met een beetje ruggengraat had bedongen dat elk ministerie dit in gelijke mate zou doen, maar toenmalig Onderwijsminister Deetman deed dit niet en dus moesten leraren meer bijdragen aan de bezuinigingen dan het andere overheidspersoneel.

vakbonden

Wonderlijk dat een minister zich met een dergelijke boodschap op pad liet sturen, maar nog veel wonderlijker was dat die minister deze missie tot een goed einde bracht. Dankzij de vakbonden. Die gingen ermee akkoord. Onder één voorwaarde: dat hun leden er geen last van zouden hebben. En zo heeft het kunnen gebeuren dat er drastisch werd bezuinigd door een structurele verlaging van de salarissen van uitsluitend de nieuwkomers. Dit werd vastgelegd in het beruchte HOS (Herstructurering OnderwijsSalarissen)-akkoord. Vanaf toen liep er een cesuur door iedere docentenkamer met aan de ene kant de voor- en aan de andere kant de na-HOS’ers.

Het is op het eerste gezicht onbegrijpelijk dat leraren ooit hebben geaccepteerd dat hun collega’s die vanaf toen het onderwijs binnenstapten veel minder gingen verdienen dan zijzelf. Om dat te verklaren moeten we ons rekenschap geven van een andere factor die de positie van alle leraren in die jaren bedreigde: de teruglopende leerlingenaantallen. In tien jaar tijd liep het aantal jongeren in de middelbare schoolleeftijd terug met zo’n dertig procent. Verder werd er bezuinigd door kleine scholen op te heffen. Talloze leraren verloren hun baan waarbij als uitgangspunt diende de regel last in first out. Degenen die als laatste waren binnengekomen moesten er als eerste uit. Kortom, de na-Hos’ers waren niet de enigen die in een hoek zaten waar de klappen vielen.

Het principe last in first out geldt niet alleen in het onderwijs, maar in andere sectoren is het mogelijk de effecten ervan te verzachten door mensen die men graag wil houden een andere functie te geven. Het onderwijs kent die mogelijkheid niet. Alle leraren, jong en oud, zijn in principe inwisselbaar. De personeelsreductie heeft er, meer dan in welke andere sector ook, geleid tot een ontgroening van het personeelsbestand. Daarnaast was er sprake van ontgrijzing.

babyboomers

Zoals in alle andere sectoren werden ook in het onderwijs ouderen gestimuleerd om gebruik te maken van allerlei aantrekkelijke VUT-regelingen. Wie overbleven waren de jongere ouderen, de babyboomers, die tot op de dag van vandaag oververtegenwoordigd zijn in het onderwijs. Sinds begin jaren negentig en ook nog de komende jaren is driekwart van het onderwijspersoneel in havo en vwo ouder dan veertig jaar. Een evenwichtige leeftijdsopbouw van het personeel is van vitaal belang voor het goed functioneren van elke organisatie. Het nagenoeg ontbreken van jongeren in de scholen heeft ertoe geleid dat vrijwel alle vernieuwingsdrang uit de sector kon verdwijnen.

De komende jaren verlaten de babyboomers massaal het voortgezet onderwijs. Hetzelfde geldt voor universiteiten en hogescholen. Ook die hebben een sterk vergrijsd personeelsbestand. Zij vissen bij de werving van onderwijzend personeel in dezelfde vijver als de scholen voor havo en vwo. Dit maakt het voor die scholen straks extra moeilijk om docenten te werven. Het leraarsberoep blijft aantrekkelijk voor vrouwen omdat het zich uitstekend leent voor een part time baan, maar omdat er onder vrouwen in Nederland weinig belangstelling bestaat voor exacte studies zullen vooral voor die vakken de vacatures moeilijk te vervullen zijn. Daar komt bij dat de arbeidsmarkt voor hoogopgeleiden steeds krapper wordt, met als gevolg dat ook andere werkgevers steeds meer bereid zijn tegemoet te komen aan de specifieke wensen van vrouwen. Het zal dus niet eenvoudig zijn voor de scholen straks nog gekwalificeerd personeel te vinden.

De vergrijzing waaronder het onderwijs al jaar en dag gebukt gaat en de personele problemen waarmee scholen de komende jaren te maken krijgen en die nauwelijks oplosbaar zijn, waren al 25 jaar geleden te voorspellen. Regeren is vooruitzien. In plaats daarvan hebben de verantwoordelijke bewindslieden de problemen voor zich uitgeschoven. Politici beloven extra geld voor onderwijs, maar ook met geld vallen geen wonderen te verrichten.