Carnavalskrakers

1383

In het Midden-Oosten waren op een aantal plaatsen bommen ontploft, in Italië dreigde een kabinetscrisis en in Nederland had voor het eerst sinds dertig jaar een carnavalslied weer de toptien bereikt. Lauwe pis. Het blijft ongebruikelijk zacht voor de tijd van het jaar. Dit was het NOS journaal, zei de mevrouw. Op 21 februari 2007, om zes uur ’s avonds.

Zoals altijd komt dan op Radio Vier het programma Muziek aan tafel, gepresenteerd door Annemiek Klijberg, als ik me het goed herinner. „Lauwe pis”, zei ze. „Je haren rijzen te berge.” En daarna ging ze verder met het aankondigen van de muziek. Terwijl ik luisterde naar iets dat me beviel, probeerde ik me voor te stellen hoe het er nu in Oeteldonk aan toeging. De straten vol met stampende carnavalsgangers die op volle kracht de gemelde tophit zongen. Vorige voltreffers zijn: Mien waar is mijn feestneus (Toon Hermans) en Willempie (André van Duyn).

Om u de waarheid te zeggen: ver terug in de vorige eeuw ben ik deelgenoot geweest van een poging om een carnavalskraker te maken. Schrijver en journalist Theun de Winter en ik waren tot de slotsom gekomen dat dit de kortste weg naar de rijkdom was. Ieder lied in dit genre heeft een tragikomische held nodig. Onze protagonist was een naamloos heel klein ventje met grote eerzucht. Eerst wilde hij carrière maken in het voetbal, werd keeper. Zijn elftal verloor, altijd, want zo ging het refrein:

‘Ik kon er niet bij/Want ik was veels te klein/En toch ben ik blij/Een kabouter te zijn.’

Niet veel, maar veels. Volkstaal. Een flinke stamper, dachten we. Er moest ook een scabreuze situatie in, zei Theun. Onze held werd verliefd, ging trouwen, maar weer hetzelfde liedje. Hij kon er niet bij, want enzovoorts. We probeerden een componist, een uitgever te vinden. Geen succes. Theun is uitgeweken naar een Waddeneiland, ik schrijf stukjes.

Waarom rezen de haren van Annemiek te berge? Omdat lauwe pis tot de tot nu toe diepste punten van platheid hoort. Het kan nog veel platter, en als het zo doorgaat zullen we over niet langer dan een jaar of vijf in Nederland nog dingen meemaken die we vandaag niet eens kunnen of durven verzinnen. Dat is dan in het eerste jaar van Balkenende V. Het gaat allemaal veel sneller dan we denken.

De diepste oorzaak daarvan is internet, de grootste egalisator aller tijden. Het is gemakkelijk te begrijpen. Bijna alle mensen willen zich onderscheiden, opvallen. In de jaren twintig van de vorige eeuw werden ten behoeve van de eerzuchtigen al allerlei wedstrijden verzonnen waarvoor je bijna niets hoefde te kunnen. Marathon dansen (daar is nog een film over gemaakt, They shoot horses, don’t they? met Jane Fonda), zo lang mogelijk op het topje van een vlaggemast zitten, of in een kist onder de aarde liggen, kortom, in het Guinness Book of Records komen. Dat bestond toen nog niet. Deze registratie is pas ontstaan toen de ‘recordjacht’ een wezenlijk deel van de westerse beschaving was geworden, in 1955. Nu is het na de Bijbel het meest verkochte boek in het Westen.

Door internet is de wedijver binnen niet meer dan een decennium gemondialiseerd. Dat wil zeggen: per dag verschijnen nog altijd honderdduizenden meer op het veld van de algemene wedijver. Dat is dan vaak weer in de sectoren van nationale culturen verdeeld. En nu komt het tragische: talent is zeer ongelijk over de mensen verdeeld, en de meesten hebben minder. Toch willen ze zich laten gelden. Op die manier is in Nederland de gewoonte ontstaan om zo leuk, gezellig, knus, scherp, in ieder geval zo gemakkelijk mogelijk onweerstaanbaar uit de hoek te komen. En alles gerechtvaardigd met verwijzing naar de vrijheid van meningsuiting.

Als ik neerlandicus was, en ik werd er redelijk voor betaald (niet om rijk te worden maar om me te kunnen concentreren), zou ik misschien een onderzoek doen naar de ontwikkeling van het taalgebruik in ingezonden brieven en op weblogs. Met bijzondere aandacht voor wat we vroeger onbeschoft of plat noemden. Niet uitgesloten dat ik dan tot de conclusie zou komen dat ‘lauwe pis’ een redelijk beschaafde carnavals-hit is. Om misverstand te voorkomen, heb ik dit woord met een streepje in tweeën gedeeld.

En dan lijkt het me onvermijdelijk dat Balkenende IV of V zal besluiten dat de grenzen zijn bereikt en dat er tegenmaatregelen moeten worden genomen. Een campagne, zoals nu in het verkeer. Niet meer die opgestoken middelvinger, maar de opgeheven handpalm, waarmee u zegt: Pardon, u hebt mij bijna doodgereden. Zou ik deze actie willen kenschetsen, maar dat wil ik gelukkig niet, dan zou ik de titel van een eigentijdse carnavalskraker gebruiken.

P.S. In een vorig stukje heb ik melding gemaakt van het bordje aan het begin van de Voetboogstraat in Amsterdam. „Tolerance. Dit is een geweldvrije zone.” Sinds jaren hing het ondersteboven en het was zwaar geroest. Dat had ik al veel eerder in de krant geschreven. Maar nu werd deze misstand met een foto ook op internet vermeld. Vorig weekeinde ging ik op inspectie. Het bordje hing weer recht en was schoongemaakt. De macht van internet.