90 Meter de grond in

Martijn de Rijk

We hebben in die jaren 1984-1987 als redactie gedaan wat we konden, alleen ik had iets nagelaten. Omdat we dat soort onderwerpen leuk vonden hebben we ’n keer de bijlage geopend met het opmerkelijke seksleven van de paardebloem, en ook het definitieve stuk over de werking van de kurkentrekker was geplaatst. We meenden er bovendien op te kunnen rekenen dat Paul Schnabel zijn proefschriftrubriek tot in lengte van dagen zou volhouden, zodat we ook nog iets achterlieten. Alles was klaar en af, op dat ene na, een verzuim dat mij in latere jaren bleef hinderen.

Ik had een artikel geschreven over amateurgeologen: de liefhebbers die grondboor en hamer hanteren ‘om de duistere dingen van de grond te doorgronden’, zoals in de kop geciteerd stond. Het was een gedegen overzicht van hun activiteiten, daar niet van, maar er was die passage over ene Hordijk in Zuid-Holland die in zijn volkstuintje geheel op eigen houtje in de grond boorde, al jaren lang, en hij was nu op 95 meter diep gekomen. Zoiets ligt natuurlijk voor de hand: wie wil er niet weten wat er onder zijn voeten zit? Maar toch hoor je zelden dat iemand ook echt gaat kijken. Er was geen tijd geweest deze Hordijk te bezoeken, en dat bleef knagen. Niet omdat zoiets, een beetje toegelicht, zo’n keurige metafoor is voor het gedroomde wetenschapsstreven. Maar gewoon, omdat ik zo iemand graag had willen ontmoeten.

W&O’s jubileum was mijn kans, en ik ben bij de vereniging van amateurgeologen gaan informeren. Ze wisten van niets. 95 meter was sowieso onmogelijk, zeiden ze, 20 meter is de maximumdiepte. Nog wat e-mails en telefoontjes later reed ik op een dag in de bus voorbij de dampende bollen en buizen van de Botlek naar Brielle. Daar woont Leen Hordijk (1952), archivaris bij het streekarchief.

fossiele kiesjes

Een beetje eigenwijze man, met een magere kop en vrolijke ogen. Dieper dan twintig meter kan wel degelijk, zei hij met een rustige glimlach – ‘als je maar wil’. Hij vertelde het hele verhaal. Hoe hij als kind van zes op zijn vaders tuinderij een sproeibuis de grond in wrikte – maandenlang. Dat je dan op twee meter diep felblauwe klei vindt. En even daaronder veen: plantenresten – ‘die geur!’ En hoe hij nu voor de derde keer een inmiddels uitgestorven diersoort had geïdentificeerd aan de hand van fossiele kiesjes die hij in een laagje op 43 meter diepte had gevonden. Deskundigen hadden een eerdere vondst Mimonys hordijki gedoopt.

Hij had in 1978 een stukje grond gekocht om zijn boringen te kunnen doen. Hij is nu aan zijn elfde bezig. Het vinden van dat laagje fossielen – ‘de goudlaag’ van 1,8 miljoen jaar geleden, dat is de hoofdprijs. Om er te komen moet hij hard werken, iedere zaterdagochtend. Je hebt van die kleilagen, niet veel dikker dan tien centimeter, maar zo hard dat je er weken over doet om er door te komen. Schilfertje voor schilfertje naar boven halen met de valbuis. Hij wil graag uitleggen waar het om te doen is. ‘De verwondering’ zei hij enkele keren. ‘De emoties’ als je bijvoorbeeld die blauwe klei zag, of dat veen rook. ‘De grote vragen’; ‘altijd weer die nieuwsgierigheid’.

Ik begreep het, en ik snapte ook dat het hem niet moet gebeuren dat meer mensen zulke gaten in de grond gaan boren. Mijn artikel over de amateurgeologen is nu af.