‘68’ers moeten hun dwaling erkennen’

In Duitsland staat na dertig jaar de Rote Armee Fraktion, alias de Baader-Meinhofgroep, weer ter discussie. Een overbodige discussie, vindt historica Bettina Röhl, dochter van Ulrike Meinhof, aangezwengeld door links dat zijn geweten wil sussen.

In Het Franse Mulhouse onderzoekt in oktober 1977 de auto waarin het lichaam van de door de RAF ontvoerde en vermoorde werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer was gevonden. Foto AFP (FILES) This file picture taken 19 October 1977 in Mulhouse shows French policemen investigating a German registered "Audi" car in which trunk, the body of German industrial leader Hans Martin Schleyer was found after being kidnapped in September 1977 in Germany by left-wing extremist Red Army Faction (RAF). A court ruled 12 February 2007 in Stuttgart that Brigitte Mohnhaupt, a former member of the left-wing extremist Red Army Faction who was serving a life sentence for the murder of nine prominent Germans including industrialist Hanns Martin Schleyer and federal prosecutor Siegfried Buback, will be released from jail. AFP PHOTO/FILES AFP

In het tijdperk van islamistisch terrorisme neemt Duitsland even vrijaf van de internationale discussie, om zich bezig te houden met terrorisme uit een heel ander tijdperk: de terreurdaden van de Rote Armee Fraktion (RAF).

Vervroegde vrijlating van een voormalige terrorist en een gratieverzoek van een andere katapulteerden de RAF in de politieke talkshows. Alweer. De terreur van de stadsguerrilla bereikte haar trieste hoogtepunt dertig jaar geleden, tijdens de zogeheten Duitse Herfst, maar de Duitse samenleving is er nog steeds niet klaar mee.

De aanstaande vrijlating van een handvol vijftigers die als twintigers dood en verderf zaaiden, werpt heikele vragen op. Moeten oud-terroristen berouw tonen, voordat ze wegens goed gedrag en na een kwart eeuw cel weer de straat op mogen? Moeten ze zich verontschuldigen? Moeten ze eindelijk opheldering verschaffen over de vraag wie destijds de dodelijke schoten heeft gelost? Van een aantal aanslagen is de exacte toedracht niet bekend. Nabestaanden vinden dat onverteerbaar. Politici pleitten deze week voor een nationale herdenking van de RAF-slachtoffers.

Bettina Röhl (44) speelt in de discussie een opvallende rol. Ze is historica en heeft zich als journaliste in de RAF verdiept. Ze is ook de dochter van Ulrike Meinhof, een van de grondleggers van de rode terreurbeweging die in 1970 in Berlijn ontstond en die zichzelf in 1998 formeel ophief. Vorig jaar publiceerde Röhl een boek over het linkse tijdschrift Konkret: So macht Kommunismus Spass! Het tijdschrift werd in de jaren zestig en zeventig door haar vader, Klaus Röhl, in Hamburg uitgegeven en heimelijk door de DDR gefinancierd. Haar moeder schreef in Konkret beroemde politieke columns. Het boek is deels geschiedschrijving, deels familiekroniek.

Over Ulrike Meinhof, die zelfmoord pleegde toen Röhl dertien was, schrijft Röhl dat ze soms als heilige wordt vereerd, soms wordt verketterd als „een monster dat de zonden van een hele generatie moet dragen”. Röhl is allergisch voor de verafgoding. Maar ze wijst er ook op dat het te gemakkelijk is om alle schuld op enkele personen af te schuiven. De RAF kende een heel leger sympathisanten en een hele trits intellectuelen wakkerde destijds – met woorden – de revolutie aan. De voordenkers van toen spelen nu een dubieuze rol, vindt Röhl.

De intellectuele aanvoerders van de opstandige generatie, de zogenoemde 68’ers, hebben weliswaar afstand genomen van het terrorisme, maar, zegt Röhl, „hangen in werkelijkheid nog steeds aan hun revolutionaire dromen”. Ze laten hun voormalige geestverwanten ook na dertig jaar niet in de steek, verlenen de RAF een zekere glans en maken van de voormalige terroristen bevoorrechte misdadigers. Van de apolitieke moordenaars krijgt slechts tien procent gratie, gratieverzoeken van de RAF worden in de helft van de gevallen gehonoreerd. De bevoorrechte positie van de RAF is onrechtvaardig, stelt Röhl, en bovendien pijnlijk voor de nabestaanden. „De balans is zoek.”

Eigenlijk zijn de vervroegde vrijlating van Brigitte Mohnhaupt en het gratieverzoek van Christian Klar helemaal geen redenen voor een wekenlang debat, vindt ze. De vervroegde vrijlating is juridische routine en het is niet het eerste gratieverzoek van een RAF-lid. Bovendien komt Klar – ook zonder gratie – al in 2009 vrij. „De personen Mohnhaupt en Klar interesseren me eigenlijk niet. Ze staan te boek als hardliners maar ze hebben intellectueel nooit iets bijgedragen dat zoveel aandacht rechtvaardigt. Op de achtergrond speelt echter een campagne die de huidige discussie aanzwengelt.”

Een campagne?

„De discussie werd ingeleid door belangrijke intellectuelen. Het begon ermee dat (de inmiddels overleden journalistenlegende) Günter Gaus Christian Klar uitvoerig interviewde op tv. Klar, een onbekende terrorist zonder berouw! Welke massamoordenaar komt op tv om over zijn gratieverzoek te praten? Claus Peymann, leider van het Berliner Ensemble, een bekende en gearriveerde regisseur, heeft Klar een stage aangeboden. Dat moet u zich heel concreet voorstellen: Klar op een premièrefeestje als interessant, akelig monster en tegelijk als zielig dwaallicht. Dat is show en geen resocialisatie. Men zou Klar geestelijk bij de hand moeten nemen om hem een echte kans te geven. Het waren juist de zwakste leden van de links-radicale scene die in de jaren zeventig terrorist werden. Zij namen bloedserieus wat de intellectuele aanvoerders luidkeels propageerden.”

Er zijn in Duitsland, zegt Röhl, meerdere 68’ers die zich op enigerlei wijze over voormalige RAF-leden ontfermen of ontfermd hebben. Ze noemt onder andere de filosoof Hans-Magnus Enzensberger.

Wat zijn hun motieven?

„Volgens mij zijn het handelingen om het slechte geweten te sussen. Linkse intellectuelen hebben zich weliswaar van het terrorisme gedistantieerd, maar ze koesteren nog steeds een vage sympathie omdat ook zij die hele waanzin gepropageerd hebben. Tegenwoordig varen ze een schizofrene koers en zeggen dat ze toch wel een beetje gelijk hadden. Eigenlijk zouden de intellectuelen berouw moeten tonen. Het zou goed zijn voor de samenleving als de intellectuelen hun fouten ruiterlijk zouden erkennen onder het motto: Kameraden, we hebben het verziekt.” Röhl kiest haar woorden met ironie en venijn. ‘Genossen wir haben Scheisse gebaut’ is de titel van een bekende toespraak uit 1968 waarin studentenleider Peter Schneider stelde dat de radicalen nog niet radicaal genoeg waren en opriep tot meer geweld.

Het is niet eerste keer dat Röhl het opneemt tegen de intellectuele 68’ers. In 2001 onthulde ze foto’s waarop Joschka Fischer, icoon van links en immens populaire minister van Buitenlandse Zaken, als gewelddadige demonstrant werd ontmaskerd. Op de onthulling volgde een hysterisch debat, dat Fischer met enige moeite politiek overleefde en waarin Röhl de gebeten hond was.

Het linkse establishment schaarde zich achter Fischer en viel over Röhl heen. Haar onthulling werd in diskrediet gebracht als „de wraakzuchtige campagne van een verbitterde Meinhof-dochter”. Het debat concentreerde zich op de boodschapper van de onwelgevallige, maar correcte feiten, en minder op het gewelddadige verleden van Fischer. Röhl: „Het was een middeleeuwse heksenjacht.”

De huidige discussie over linkse dwalingen verloopt rustiger, met meer aandacht voor de slachtoffers. De 68’ers slaan zich ook niet meer zo op de borst als voorheen. „Tegenwoordig generen ze zich een beetje, ontwijken het onderwerp. In de jaren negentig pochte men met een revolutionair verleden en wilde iedereen een terrorist gekend hebben. Dat is niet meer zo.”

In een opiniepeiling viel ook op dat jongere Duitsers veel minder begrip tonen voor gratie en vervroegde vrijlating dan ouderen...

„Jongeren zijn niet besmet met het virus van ’68. De 68’ers zeggen altijd: die terroristen hebben net als wij naar Jimi Hendrix geluisterd. Die band hebben jongeren niet. Jongeren zijn minder bevangen en zien de zaak helderder. Het tij keert. Misschien komen ’68 en RAF met dit debat in een ander licht te staan en krijgen de feiten meer kans om voor zich te spreken. Maar scepsis blijft op zijn plaats.”